Rozendaalweg

Rozendaalweg
ECHELPOELHOEVE, Rozendaalweg: landelijk / mooi / historisch, foto: H. Vermeir

zondag 9 augustus 2015

Drieëndertig VOLMAAKTHEDEN / SCHOONHEDEN van de VROUW * * *




Pieter POURBUS (1524-1584), Portret van een onbekende vrouw,  ca. 1575, KMSKA, cat. 27, in: "Pieter Pourbus, meester schilder", van Paul Huvenne, Gemeentekrediet, Brugge, 1984, p.247.(3)


Het ideaalbeeld van een Brugse vooraanstaande vrouw uit de XVIe eeuw.

Stilistisch verfijnd en perfect.
Een driekwart profiel waarbij de lijn van de neus de lijn van de wang niet overschrijdt.
De starre vooruitkijkende  blik en de stand van mond zijn geposeerd.
Het volle aangezicht is trefzeker weergegeven en heeft heel weinig details.
Het aangezicht  met eerder matte ogen en strakke mond getuigen van schranderheid  en zelfbewustzijn.
Het haar is opgestoken  in een kapje dat is versierd met kant, met erboven een soort tule doek. Ze draagt een gepijpte molenkraag zonder kant.
Het haar van het voorhoofd is hier waarschijnlijk verwijderd volgens de mode van de tijd.
Een neutrale donkere achtergrond.
De soberheid, geen juwelen, wordt ondervangen door de witte gepijpte molenkraag en het kanten mutsje.
Het is een portret van iemand uit de burgerij maar zonder veel 'poeha'.


We lezen in het boek: Geschiedenis van de vrouw, van Renaissance tot de Moderne tijd, p.51,

" In Italië, Engeland, Duitsland, Frankrijk en  Spanje gold in grote lijnen hetzelfde schoonheidsideaal:
  blanke huid, rode lippen en wangen, zwarte wenkbrauwen. Hals en handen dienden lang en slank te    zijn. de voeten klein en de taille soepel. Borsten moesten stevig, rond en wit zijn, met roze tepels. De favoriete oogkleur varieerde (de Fransen waren dol op groen, Italianen gaven de voorkeur aan zwart of bruin) en af en toe werd een uitzondering gemaakt voor donker haar, maar de maatstaven voor het uiterlijk van de vrouw bleven ca. 300 jaar in wezen idem/dito.

Via mondelinge en schriftelijke overlevering kwam een lijst van 'schoonheden' tot stand die in de loop  van de zestiende eeuw uitgroeide van drie tot drie dertig punten. Morpurgo geeft in zijn El costume de la donna (1536) zelfs een nog langere lijst. Zijn ideale vrouw had niet minder dan drieëndertig volmaaktheden:

Drie lang: haar, handen en benen;
drie kort: tanden, oren en borsten;
drie breed: voorhoofd , borst en heupen;
drie smal: middel, knieën, en 'waar de natuur al het zoete heeft verborgen;
drie groot ('maar goed geproportioneerd'): lengte, armen en dijen;
drie dun: wenkbrauwen, vingers, lippen;
drie rond; hals, armen en ... ;
drie klein: mond, kin en voeten;
drie wit: tanden, hals en handen;
drie rood: wangen, lippen en tepels;
drie zwart: wenkbrauwen, ogen en 'wat uzelf weet'."(1)


Het getekende ideaalbeeld:

Johan Stefan van Calcar, Vrouwenfiguur, houtsnede uit Vesalius, De humani corporis farica libri septem, Basel, 1543.(2)





















"During the Middle ages, and even in the Renaissance and until the 18th century, eyelashes were not styled. Women, in general, removed eyelashes and eyebrows in order to give more importance to the forehead, which was the most important feature in females’ faces at that time. Women were not supposed to exhibit their hair in public. image: Petrus Christus, Portrait of a Young Woman (detail), Netherlandish, c. 1470

It was the fashion during the Renaisssance in Florence to shave one’s eyebrows. Look to the Mona Lisa for another example. But also in Flanders."

Gedurende de middeleeuwen en tijdens de Renaissance , zelfs tot de 18e eeuw werden de wimpers niet bijgewerkt, genipt of gekleurd. Meestal werden deze laatsten met de wenkbrauwen, met als opzet de nadruk op het voorhoofd te vergroten,  verwijderd. Vrouwen werden niet verondersteld hun haar aan het publiek te laten zien. Zie hierbij het schilderij van Petrus Christus.
Ook in Florence was het de mode om de wenkbrauwen te verwijderen tijden de Renaissance. We verwijzen hier naar de Mona Lisa. Maar ook in Vlaanderen.

Petrus Christus(1410- Brugge 1472), Jonge Dame, detail,  ca. 1470, Gemäldegalerie, Berlijn.





VERWIJZING/

Paul Huvenne, Pieter Pourbus, meester schilder, Gemeentekrediet, Brugge, 1984. (2 p.138)+(3)
Sara F. Matthews Grieco, Lichaam, uiterlijk en seksualiteit, p.51, in: Geschiedenis van de Vrouw, van Ariette Farge en Natalie Zemon Davis, Agon, Amsterdam, 1992.(1 p.51)
E. Rodenach, La femme italienne, p. 90-91 en nt.4. (1)




woensdag 5 augustus 2015

Liefdesverdriet - Pisbesienders - doktersbezoek - Jan Steen * * * *





Jan Steen, "Het doktersbezoek", Wellington Museum, Londen, ca. 1661-1662.(1)
INHOUD

We zien in het centrum van het schilderij een jonge dame met een jasje met pels afgezet, die aan haar hoofd voelt. Haar linkervoet rust op een stoof. De hond kijkt medelevend naar haar. Over de stoel hangt haar beurs  en een messenetui. Aan een poot van de stoel is een bruine vuurtest en een stukje verbrande  veter of schorteband.(3) De dokter met Rubenshoed voelt haar pols en kijkt veelbetekenend naar de dame ernaast die  een bolglas met urine vasthoudt.
Het jongetje voor de stoel, met pijl en boog,  moet eros voorstellen.
Rechts in de hoek zien we het gesloten alkoofbed met lussen. Ervoor op de tafel een kaarsenstaander met een gedoofde kaars en op de grond de nachtspiegel. De centraal opgestelde rode stoel met een drietal rekwisieten speelt een verwijzende rol. Het rood verwijst naar liefde ... Hoewel "love is blue".
Feitelijk gaat het om een komisch schilderij.


LIEFDESVERDRIET of MINNEPIJN

Dit verschijnsel en het zich laten opmerken door ziekte voor te wenden was in de "Hollandse Gouden" eeuw legio. De uitbeelding van de jonge dames voor een dergelijk onderwerp was voor de hand liggend. Ook jonge mannen hadden zulk een verdriet. Jan Steen schilderde het onderwerp achttien keer.

De dokter die pols voelt, lijkt aan de vrouw met het urineglas te zeggen: "Zij lijdt aan minnepijn."

Liefdeverdriet is de pijn die men voelt over het verbroken zijn van een relatie of over de onbereikbaarheid van een geliefde, in 't algemeen gaat het om niet-huwelijkse relatie. Wij noemden dat zo'n 50 jaar geleden LDVD maar het wordt ook luhduhvuhduh genoemd als een soort van eufemisme om het woord niet hoeven uit te spreken.

In Wikipedia lazen we daarover:
" Liefdesverdriet is de laatste tijd erkend als aandoening met symptomen als van een ziekte.
   Het gevoel verlaten te zijn leidt tot geestelijke en fysieke pijnen, die doen denken aan een depressie;
   men voelt zich lamlendig en nietswaardig, en heeft last van hoofdpijn, moeheid, slapeloosheid en       verlies van eetlust.
   De duur van liefdesverdriet is zeer uiteenlopend, van enkele dagen tot vele jaren. ... In het algemeen is het goed om het verdriet te uiten, maar tegelijkertijd het dagritme van werk of andere bezigheden niet los te laten. Dit geeft afleiding en dempt verdriet. In de wereldliteratuur komt het onderwerp geregeld aan bod.."

In het schilderij zijn er duidelijke verwijzingen naar:
- het grote schilderij van Ovidius vertoont een meisje met een gebroken hart
- het hartje aan de halsband van de hond
- Eros/cupido, die veelbetekenend lacht, met pijl en boog.

Jan Steen verwijst in dit verband naar de dwaasheid door het schilderij rechtsboven, dat van de nar Peckelhaering.

De liefdessmart werd toen wel gezien als een soort chantagemiddel ten opzichte van de ouders om de toelating om te trouwen af te dwingen.


Detail van bovenstaand schilderij. We zien de dame met de pisbokaal in de rechterhand.


URINEONDERZOEK

We kijken naar het centrale punt van het schilderij:
met de "wijze" dokter die haar pols voelt,
de behulpzame vrouw met de urinekolf ,
en het beklagenswaardig meisje.


Onderzoek van urine was van in de late middeleeuwen  een element van onderzoek bij minnepijn.
Het voelen van de  polsslag was van in de oudheid reeds een middel om de hartslag te controleren en aldus het hart. De hartslag zou sneller gaan bij het ontmoeten van de geliefde.

Bij de urine ging het om de geur en kleur en de neerslag van de lichaamssappen(bloed,  gal , gele en zwarte en slijm) in het bloed en in de urine. Door minnepijn kon dit leiden tot  verbreking van het evenwicht en als symptoom leiden tot melancholie.(2)(p.152)











Gravure van Pieter Breugel de Oude, Prudens, detail, 1559/60, (4. p.101 e.v.).
In deze gravure wordt de Voorzienigheid in beeld gebracht , door het onderzoek va de 'piskijker' en door de priester die de zieke bijstaat. De handeling van de dokter was in de tijd van Pieter als medische activiteit reeds in voege. Hij heeft ook een mandje bij waarin de fles wordt opgeborgen.


In de urine van de vrouw kon men zelfs vaststellen of de vrouw in verwachting was.
De urine werd daarvoor verwarmd.
De dokters die zich daar toen mede bezighielden werden "quackslaverische pisbesienders" genoemd.

De kolf van het ordinaal (voor kant) en urineglas lijken mij hetzelfde.

Karel Braun schrijft nog het volgende:
"Steen laat zien wat de dokters nog meer deden dan alleen de pols voelen.
 Daarop duiden de flesjes met urine en de vuurtesten met verbrande veters die doorgaans op schilderijen voorkomen. ... Als extra test liet hij de patiënte aan een stukje brandend schortenband ruiken ; het snel misselijk worden is immers een bekende kwaal in de eerste maanden van de zwangerschap."(4)

David Teniers (1610-1690),  De Dorpsdokter, KMSKB, 1645. Uit: "De Vlaamse Schilderkunst in de XVIIe eeuw", Jeanne De La Ruwière, Artis, Brussel, 1957. p.111.

Het hier uitgebeelde thema is een herhaaldelijk geschilderd  in de XVIIe eeuw. In  inventarissen en rekeningen van kunsthandelaars en verzamelaars  komen voorstellingen  van 'doctoren' en 'piskijckersveel voor.

Er wordt hier een dorpschirurgijn  voorgesteld die een urineglas bestudeert, waarschijnlijk van de oude vrouw naast hem en die dan ook met een ongerust gemoed (gezicht) wacht op de uitslag. Het openliggende boek voor hem wijst er op dat hij voor zijn diagnose op schriftelijke gegevens steunt. Was dit om indruk te maken of om een vorm van geleerdheid naar voor te schuiven.
Het genre was geliefd in de XVIIe eeuw. Waarschijnlijk stond men er wantrouwig tegenover en werd het onderzoek niet als waardevol ervaren.

BEGRIPPEN/

Dokter,dorpschirurgijn, pisbesiender, quacksalverische pisbesienders, piskijckers

Bolglas, urineglas, pisbokaal, urinekolf

Liefdesverdriet, minnepijn, LDVD,  luhduhvuhduh, liefdessmart



VERWIJZING/

Karel Braun, "Jan Steen",  Lekturama, Rotterdam, 1980. (3 , p.107)+(4, p.107)
H. Perry Chapman, Wouter TH. Kloek en Arthur K. Wheelock, jr, "Jan Steen, schilder en verteller", Waanders uitgevers, Zwolle, 1996, 3de druk. (1, p.151)+(2)
Louis Lebeer, "Cataloque raisonné des estampes de Bruegel l'ancien", Kon. Bibliotheek 'Albert I', Brussel, 1969. (4, p.102).

zaterdag 1 augustus 2015

Een lied/ en gedicht: Charles Perrault : Roodkapje en de wolf.*




Bedenking van Charles Perrault na zijn vertelling over Roodkapje.

"Het jong volk in 't algemeen en 
 jonge meisjes in 't bijzonder,
 lief en mooi, dienen te weten
 niet aan elk hun oor te lenen.
 't Is tenslotte heus geen wonder
 hoeveel de wolf er heeft gebeten.
Ik zeg dé wolf, want niet elk beest
is altijd van dezelfde aard;
men vindt er heel nette bij,
niet boos, maar aardig en bedeesd, 
die vriendelijk, zachtjes en bedaard
de juffers volgen, totdat zij
hun huis, hun kamer binnengaan;
pas op voor wolven: van de zachte 
moet men het grootste gevaar verwachten!" 


Prent uit : "Sprookjes van Moeder de Gans" van Charles Perrault, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 2de dr., 1978, p.101.
ROODKAPJE

Er was eens in een dorpje een meisje, het liefste dat je maar kunt voorstellen; haar moeder was dol op haar, en haar grootmoeder nog meer. Die goede vrouw liet voor haar een rood kapje maken dat haar zo leuk stond dat iedereen haar Roodkapje noemde.

Op een dag had haar moeder koeken gebakken en zie tegen haar:'Ga eens kijken hoe het met grootmoeder is, want ik heb gehoord dat ze ziek is, breng haar maar een koek en dit potje boter,' Roodkapje vertrok meteen naar haar grootmoeder, die in een ander dorp woonde.  Toen ze door een bos kwam, ontmoette ze vadertje Wolf, die wel zin had om haar op te eten, maar hij durfde het niet vanwege een paar houtakkers die in het bos waren.

Hij vroeg waar ze heenging; het arme kind, dat niet wist dat het gevaarlijk is om naar een wolf te luisteren, zei hem:
 'Ik ga mijn grootmoeder opzoeken en haar een koek en een potje boter brengen die mijn moeder haar stuurt.'
' Woont ze ver weg?' vroeg de wolf haar.
'O ja,' zei Roodkapje, 'voorbij de molen die je daarginds ziet, daar, in het eerste huis van het dorp!'
'Nou," zei de wolf, 'ik zal haar ook eens op gaan zoeken; ik ga langs deze weg, en jij langs die weg, en dan zullen we zien wie de eerst is.'

De wolf begon uit alle macht te rennen, langs de kotste weg en het meisje nam de langste weg, waarbij ze zich vermaakte met het plukken van hazelnoten, het najagen van vlinders en het maken van ruikertjes van bloemetjes die ze vond.

Het duurde niet lang of de wolf kwam bij het huis van grootmoeder; hij klopte aan: tok, tok.
'Wie is daar?'
'Het is uw kleindochter Roodkapje,' zei de wolf met verdraaide stem, 'die u een koek en een potje boter komt brengen die mijn moeder u stuurt.'
De goede moeder, die in bed lag omdat ze zich niet zo lekker voelde, riep hem toe: 'Trek maar aan het klosje, dan gaat de deur open.'
Gij stortte zich op de goede vrouw en verslond haar binnen een mum van tijd, want het was al meer dan drie dagen dat hij had gegeten. Daarom deed hij de deur dicht en ging in het bed van grootmoeder op Roodkapje liggen, wachten, die even later op de deur klopte.
Tok, tok.
'Wie is daar?'
Roodkapje, die de zware stem van de wolf hoorde werd eerst bang, maar omdat ze dacht dat haar grootmoeder verkouden was, antwoordde ze: 'Het is uw kleindochter Roodkapje, die u een koek en een potje boter komt brengen, die mijn moeder u stuurt.'
De wolf riep haar toe, met een iets zachtere stem: 'Trek maar aan het klosje, dan gaat de deur open.'
Roodkapje trok aan het klosje en de deur ging open.
Toen de wolf haar zag binnenkomen, verborg hij zich onder de deken en zei: 'Zet de koek en het potje boter maar op de broodtrommel en kom bij mij in bed liggen.'
Roodkapje kleedde zich uit en ging in bed liggen, waar ze erg verbaasd was toen ze zag hoe grootmoeder er in haar nachtgewaad uitzag. Ze zei:
- 'Grootmoeder, wat hebt u grote armen!'
'Dan kan ik je beter omhelzen, mijn kind.'
- 'Grootmoeder wat hebt u grote benen!'
'Dan kan ik harder lopen, mijn kind.'
- 'Grootmoeder, wat hebt u grote oren!'
'Dan kan ik beter horen, mijn kind?'
- 'Grootmoeder, wat hebt u grote ogen!'
'Dan kan ik u beter zien mijn kind.'
- 'Grootmoeder wat hebt u grote tanden!'
'Dat is om jou op te eten.'

En terwijl hij dat zei, wierp de boze wolf zich op Roodkapje en at haar op.

Charles Perrault (Parijs 1628 -Parijs 1703), was bekend vanwege zijn sprookjes.Foto:  Wikipedia


Charles Perrault, "Sprookjes van Moeder de Gans", Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 2de dr., 1978, p.101

************************************************************************

In de Duitse versie komt de jager die grootmoeder uit de buik van de wolf haalt vooraleer roodkapje wordt opgesmuld.

Bibliografische verwijzing:

Oorspronkelijke titel: Contes de ma mère l'Oye, of  Histoire ou Contes du Temps Passé. Vertaald door Arjaan van Nimwegen.

De afbeelding is ontleent  aan Histoires ou Contes du Temps Passé, in de uitgave van Claude Barbin (1697).


maandag 27 juli 2015

Weimar: EZEL en VRIJHEID F. Schiller & W. von GOETHE *






Pankarte te Weimar  2001. Foto eigendom H.F.E. Vermeir

Men houdt van hetgeen je de kans geeft om in vrijheid te leven.





Wolfgang Van Goethe en  J.C.F. von Schiller.Foto: eigendom H.F.E. Vermeir
Schiller(1759 - + Weimar 1805) en van Goethe(1749 - + Weimar 1832) waren de twee magistrale geesten van Weimar en het Duitstalig gebied.
Hier hun standbeeld in Weimar voor de opera.
Zij hadden schijnbaar niet veel last van de gevolgen van de Franse Revolutie en Napoleon die Europa onder de voet liep. Hun ideeën waren wel ingebed in de nieuwe tijd.

Weimar is één van de aangenaamste steden van Duitsland wegens het culturele erfgoed maar ook wegens de bereikbaarheid en het verkeer dat daar niet gefileerd is.

zondag 19 juli 2015

Dubbele bodem uitspraken: Peter BOSHOEF, "Zin in Onzin in Kwatrijnen". Over Adam ...



Over Adam en dan natuurlijk ook over Eva

Jan Gossaert, Adam en Eva, 1508/09. Privébezit. In: "Jan Gossaert genaamd Mabuse", catalogus, Museum Boymans -van Beuningen en Groeningemuseum, Rotterdam/ Brugge, 1965, p.
60.

Adam en Eva zijn hier afgebeeld met hun "schertsartikelen".


" De Adamsappel
  in de keel
  is ook, een mannelijk
  onderdeel?!..."


"Het vijgeblad 
 duw je gewoon
 opzij zei Adam
 aan zijn zoon...!?"

Vijgenboom, zaden en vruchten. Wikipedia


In sommige culturen hebben vijgen ook een symbolische waarde. In het boek van Jeremia (in de Thora en het Oude Testament) staat het product voor 'vernietiging', omdat Adam en Eva na hun zondeval schorten maakten van vijgenbladeren. In het Nieuwe Testament toont Jezus zijn afschuw van een vruchteloze vijgenboom.(Wikipedia)

In boeddhistische en hindoeïstische teksten wordt soms het spreekwoord 'zoeken naar een bloem in een vijgenplant' gebruikt, verwijzend naar de afwezigheid van bloemen in deze plant. Dit spreekwoord wordt gebruikt als iets vrijwel onmogelijk is, of als kwaliteit totaal afwezig is. Bovendien wordt er soms over vijgenbloemen gesproken als iets dat heel zeldzaam is. (Wikipedia)



"Voor Adam in 
  de appel beet
  had zijn vrouw
  zelfs nog geen kleed!"

Deel X, blz. 14, 19, 21

"Beschaamd zijn is
 sociale pijn,
 Adam kon
 dat dus niet zijn."

Deel VIII, blz. 34.

"Als Adam niet 
 gezondigd had
 dan deden wij
nu zeker dat..."

Deel VII, blz. 16.


Het kon anders:

Michelangelo, De Schepping, detail, Sixtijnse kapel, 1511. http://www.chrisdenengelsman.nl/Reprocitaat/Michelangelo/Creation%20of%20Adam%20detail01.jpg


dinsdag 14 juli 2015

Vlaanderen Feest 11.07.2015 : feestrede te MECHELEN van Johan Velghe(priester Daensfonds) *







Johan Velghe,                                                 "vrije tribune"
Priester Daensfonds
Hierboven foto links .


Zijn toespraak:

"Zichzelf overtreffen. Onszelf overtreffen. Daar hebben wij gebrek aan.
Als ik 'wij' zeg, dan bedoel ik, de hele zwik die ons samenleven bepaalt: wijzelf als individu, gezin, familie, werkmilieu, het middenveld, ongetwijfeld voor velen hier aanwezig ook de Vlaamse Beweging, tot de schijnarmworstelende politici toe.
Luctor et emergo. Ik worstel en kom boven. Te vaak blijft het hele maatschappelijk debat beperkt tot 'luctor'. Het 'emergo' wordt niet bereikt, of toch door te weinigen.
Het worstelen blijft steken in het niet willen praten over bedrijfswagens of het afwijzen van een debat à fond over basisinkomen. We durven niet. We durven amper te morren, noch tegen de 'pensée unique' in Vlaanderen, noch tegen de het nakende vrijhandelsverdrag tussen de EU en de VS. We zetten onze zelfvoldane paardenbril van  hardwerkende Vlaming op.  De all-inclusive vakantie wenkt. Wij hebben daar toch wel zeker recht op? Wij... ook de minder fortuinlijken?
Er is nog werk, veel werk, aan de Vlaamse samenleving.

Wanneer ik de vraag krijg een toespraak te houden, dan neem ik me steeds voor om er dagen op voorhand aan te beginnen.
Dat lukt me nooit. Een beetje uit luiheid, toegegeven. Maar vooral omdat het rijpen moet. Rijpen én kristalliseren tot één begrip, liefst tot één woord.
Deze keer zijn het er twee geworden: zichzelf overtreffen, of vrij in het Grieks vertaald: 'Ochi'. Nek uitsteken, verontwaardiging, hoop op een menswaardiger samenleving, tegen de haren instrijken, empathie opbrengen voor zij die het moeilijk hebben, én komen tot de moedige beslissing van vorige nacht. Ochi. Dat was het ook 713 jaar geleden op 11 juli om 5 uur 's ochtens.

 De dringende nood aan vooruitgang voor iedereen. Te schaars aanwezig in het publieke debat,  in de discours van de Vlaamse noch federale regering. De mond vol over groei, maar wordt er groei voor echt iedereen bedoeld? Officiële cijfers geven aan dat ons inkomen het niveau haalt van dat van 2007.
De nood aan een boodschap die aanslaat in het tweede decennium van de 21ste eeuw, die boodschap merk ik evenmin in de verschrompelde Vlaamse Beweging.

Marc Coucke zingt het verkeerde lied. Het is geen Couckenbak voor iedereen. De armoedecijfers dalen niet.

U merkt het. Ik ben streng. Dat moet ook voor een vertegenwoordiger van een erfenisdragende vereniging.  Vereniging die de naam draagt van een groot dissident. Van een man die 'nee' zei tegen een maatschappij stikvol hebzucht, het eigen grote gelijk en een dominante klasse.

De hele aanloop naar het punt dat ik maken wil, doet me bijna vergeten jullie te begroeten. Dat doe ik met deze:
Dear citizens of Brussels North.
Of nog: Beste randstadbewoners van de Hoofstedelijke Gemeenschap van Brussel.
Klinkt dat toekomstgericht? Of nog, beste betalers van troebele en vooral eeuwig durende transfers.
Ik houd het liever bij Fiere Brabanders, beste Mechelaars.

Een affiche uit 1981 van een tentoonstelling van "De Daensistische Beweging" in de St.-Pietersabdij te Gent. Uit het documentair archief van Harry F.E. Vermeir

Wij overtreffen onszelf niet wanneer we genieten van een ogenschijnlijke, maar vooral kunstmatige communautaire luwte. De aloude olievlek is actiever dan ooit met het nationaal-Anderlecht-voetbalstadion op de Grimbergse en Wemmelse parking C.
De zogezegd uitdovende taalfaciliteiten van 1963 in de Vlaamse rand zijn vijftig jaar later met de zesde staatshervorming uitgemond in een prelude tot impalming door het Brussels Hoofstedelijk Gewest.
 Je zal maar best geen Vlaming zijn wanneer je in het weekeinde in dat gewest op hulpdiensten beroep moet doen.
 De toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse administraties blijft dode letter.

De tactiek is zo oud als de straat. Het resultaat is voorspelbaar: de aloude olievlek deint steeds verder uit. De verfransingsstrategie,  super actueel, vindt nog nauwelijks weerklank in Vlaanderen. Niet bij de politici die de communautaire diepvries hanteren, niet in de media,  en zelfs marginaal in de Vlaamse Beweging. Waar is de tijd van de vinnige Vlaamse cultuurfondsen, KWB's en zoveel andere Vlaamse verenigingen?

De zesde staatshervorming heeft ons een factuur toegeschoven van 755 miljoen euro, bovenop de 400 miljoen euro in uitvoering van de bijzondere financieringswet. We zeuren over de besparingen van de Vlaamse regering - ik sta hierbij op de eerste rij omdat ik vind dat de besparingscriteria anders kunnen en moeten -, maar vergeten graag de oorzaak van de noodzakelijke besparingen.
In dat hele debat, aan welke kant van de tafel ook, overtreffen we onszelf niet. De annulatie van onze all inclusive-vakantie naar Tunesië baart ons meer zorgen.

Dames en heren. U vergist zich schromelijk wanneer u mij als een pessimist, een doemdenker aanwijst.
Ja, ik hou niet van het opschrift '11 juli Vlaamse feestdag'. Ik hoef vandaag niet zonodig barbecuegeuren in mijn kleren te laten intrekken, cava te drinken, worsten te verorberen en obligaat te zingen over weiden die al decennialang niet langer groen-wiegende zeeën zijn.

Ja, ik hou wel van 11 juli als reflexiedag.  Tot mijn vreugde merkte ik de afgelopen dagen vele columns en bijdragen op websteks, zoals deze van Doorbraak en de website '11 juli, dag van de democratie'. Columns  met een gedegen invulling van de betekenis van 11 juli. Betekenis die sterker is en moet zijn dan de kreet 'eerst onafhankelijkheid en dan zien we wel verder'.
Ons zelfbeschikkingsrecht,  moet je verdienen door een sterk samenlevingsmodel voorop te zetten.  Die warme, rechtvaardige Vlaamse samenleving is meetbaar aan de hoge zorggraad en de intense ijver voor de kwetstbaarsten, de zwaksten in onze samenleving. Nee, aan plannen hebben we geen gebrek. De resultaten pieken veel minder.

Vandaag en morgen zijn zoveel sterker te beleven wanneer je over de kennis van gisteren beschikt. Herdenken is geen verloren tijd.
Uit wat in 1302 op de Kortrijkse Groeningekouter gebeurde vallen voor vandaag en morgen lessen te trekken.

Zichzelf overtreffen. Dat is wat gebeurde op de Groeningekouter. Het mogelijk maken van het onmogelijk geachte.
Geen 'bookmaker' zou geld ingezet hebben op de slaagkansen van het voetvolkleger tegen het best uitgeruste ridderleger van het toenmalige Europa. En toch gebeurde het onmogelijk geachte.
De razernij omwille van de koninklijke Franse dwangmaatregelen, de goudfraude die Filips de Schone pleegde en daardoor de Vlaamse handel verarmde, de slaverij van het feodalisme en de miskenning van menselijke waardigheid,... dit alles wekte razernij op, die zo groot werd dat de schrik voor de zekere dood overwonnen werd.

Nooit is iets een verloren zaak. Mensen hebben recht op geluk en vrijheid. Overheden hebben slechts legimiteit wanneer ze de belangen van de inwoners dienen. Niet deze van de  happy few. Dat is de betekenis van 1302, van het herdenken van de Guldensporenslag.
Ik heb het over Vlaanderen, maar evenzeer over het fiere, het zichzelf overtreffende 'Ochi' van de Grieken.
Over het 'Yes' van de Schotten dat een tweetrapsraket leek na de nederlaag in het referendum en de ongeziene overwinning (56 op 59 zetels) tijdens de recente verkiezingen in Groot-Brittanië.
Ik heb het over het aanhoudende 'Si' in Catalonië.
Ik heb het over de Koerden in hun strijd tegen de Assad-staat én IS.
Ik heb het over het rechtkrabbelen van de Palestijnen in het platgebombardeerde Gaza.
Ik heb het over holibi-rechten, over de wel degelijk noodzakelijke attentheid voor latent racisme, ik heb het over vrouwenrechten. Ook nog bij ons, denk maar aan de loonverschillen.
Nooit mag zelfbeschikking, als mens, als samenleving, en het recht op volkssoevereiniteit een verloren zaak zijn.

Als Vlaanderen aanspraak wil maken op soevereiniteit, dan moet het een tandje bijsteken. Wat zeg ik? Een mondvol tanden.
Vandaag en morgen zijn de uitdagingen voor Vlaanderen groot:
- de vastgenestelde structurele armoede,
- de integratie van vele nieuwe Vlamingen,
- de verstikkende mobiliteit,
- diplomaloze jongeren,
- vijftigplussers zonder werk,
- de aanpak, of liever het uitblijven, van een erfenis aan milieuproblemen
   en de klimaatopwarming.

Het lijkt wel of het onmogelijk geachte van het slagveld van 1302 weer mogelijk moet gemaakt worden. Gelukkig hoeven hiervoor elkaar de kop niet meer in te klieven. IS doet al overuren.
Rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid, solidariteit, armoedebestrijding en complexloos onze identiteit beleven in taal, cultuur, samenlevingsnormen en -waarden, dat zijn de vijf krachtlijnen die ik geleerd heb, onthoud en toegepast wil zien. De vijf krachtlijnen van het daensisme.
Vijf actuele krachtlijnen voor Vlaamse samenlevingsopbouw. Ook minister-president Geert Bourgeois wees gisteravond aan de Maagd van Vlaanderen, het 1302-monument op de Kortrijkse Groeningekouter, de nood aan meer samenhang aan.
Vijf krachtlijnen om het onmogelijk geachte mogelijk te maken. Vijf krachtlijnen om het debat verder te laten reiken dan  de installatie van geslachtsneutrale toiletten.

Dames en heren, fiere Mechelaars,
Kankeren helpt ons niet vooruit. Onverschilligheid evenmin.
Genuanceerd denken, deelnemen aan het debat, en een kritische kijk, vormen de proloog.
Activist worden en zijn in uw eigen directe omgeving. Geëngageerdheid. Opbouw van een samenleving van onderuit, met vijf krachtlijnen als credo. Activist worden én zijn, voorkomt het theater van de tragedie.

En terwijl het koor de catharsis voorzingt, groeit de hoop op een betere toekomst .
Zonder hoop, geen samenleving.
Zonder activisme, zonder hoop, zonder krachtlijnen, zonder lessen te trekken uit onze geschiedenis, zonder het onmogelijk geachte mogelijk te maken, zal Vlaanderen nooit soeverein zijn.
Wij verdienen slechts wat wij er zelf van maken. Wacht niet op anderen, kijk niet (uitsluitend) naar de lichtbak van de partijpolitiek.  

Redt u zelven, hielden de daensistische coöperatieven van weleer voor.
Redt u zelven, niet in egoïsche zin, ieder voor zich.
Redt u zelven, in solidaire zin. Wij, jij en ik samen - welke onze voornaam ook is -  maken de Vlaamse samenleving.
Dan pas zal de vraag niet langer dienen gesteld te worden. De vraag die minister-president Geert Bourgeois gisteravond tijdens zijn toespraak op  op een groot spandoek las:
Wanneer klauwt Vlaanderen sociaal? Wanneer klauwt Vlaanderen tegen armoede?
Laat ons die vragen overbodig maken. Wij allen, de politici in het bijzonder, met de grootste efficiëntie en al even grote snelheid. Het moet meer zijn dan de zoveelste plannenmakerij.
Ochi aan achterstelling, uitsluiting, verlies aan menselijkheid en ja ook verlies aan pure financiën: bijna 12 procent mensen in armoede kosten meer aan gezondheidszorg, werkloosheid en steunmaatregelen.

Dames en heren,
Het is de aard van het beestje dat ik tegen de haren instrijk. Zelf heb ik daar niet te veel last van.
Allemaal niet erg, zolang u maar 11 juli niet herleid tot de keuze van andalouse of looksaus bij uw barbecueworst. Ik misgun u het feestje niet, maar er is meer.
Er is de grote nood aan zinvol herdenken, opdat we niet meer in de zovele  gemaakte foute keuzes van de Vlaamse Beweging, én partijen, zouden hervallen.
Er is nood aan reflexie én snelle daadkracht.
Er is nood aan 'luctor et emergo'.
Er is nood aan stevig verzet tegen de nooit aflatende verfransingstactieken.
Er is nood aan een visie op de invulling van de Vlaamse samenleving.

Geloof me, er is maar één visie die een leefbare, samenhangende Vlaamse samenleving mogelijk maakt.
Het is deze visie die de vijf krachtlijnen van Daens in één pakket samenbalt:

solidariteit, gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid, armoedebestrijding en complexloze identiteitsbeleving. Eén en ondeelbaar."


maandag 13 juli 2015

Een lied/ een gedicht: DE SPIN





De Spin , "Godin van de Vrede", Peter Holvoet -Hanssens i.s.m. Irène De Weerdt.
Foto: eigendom van H.F.E.Vermeir

Stijlvol ontving de Antwerpse dichter Peter Holvoet-Hanssens, geboren in 1960 te Merksem,  de Dirk Martensprijs voor literatuur 2001. De poëet ontving de prijs voor zijn tussen 1989 en 1998 geschreven dichtbundel 'Strombolicchio'.

Hij was stadsdichter 2010 voor Antwerpen.

Irène De Weerdt is reeds overleden.

woensdag 8 juli 2015

Zo leefde SINT-KATELIJNE-WAVER in 1953 (vervolgverhaal) DEEL I





Bladzijde uit: Zondagsvriend, nr. 26, 25.06.1953, p.857. (Uit het documentair archief van H.F.E.Vermeir)


Zoals in grootmoeders vertellingen waarin de kinderen uit de kolen komen, zo is St.-Katelijne-Waver groot gegroeid uit de bloemkool.


De Bemortel, hier in het midden boven.


Tussen Mechelen en Lier in het schone Netedal, lag eertijds het onmetelijke Waverwoud, in het Land van Duffel, waar de heren van Kamerijk en Duffel, en later de Berthouts regeerden. Na de invallen van de Noormannen werd het Waverwoud  in feite eigendom van de Berthouts die er een van hun belangrijkste burchten hadden "De Bemortel".  De oudste vermelding dateert Lichtmis 1296, toen de abdij van Grimbergen verplicht werd aan Hendrik III Berthout een kleine penning Lovens op de Bemortel te betalen.(1)(p.1) Tussen 1415-1570 en 1607-1703 verbleef de drossaard van Duffel en Walem op de Bermoortel. Daar vergaderde ook de schepenbank van Duffel o.l.v. de drossaard, om recht te spreken.(2)(p.1)
In de 15de eeuw besloeg deze vesting binnen de wallen een oppervlakte van 5 ha. en omvatte een ridderkasteel, een vierkante toren met valbruggen, een kapel en een schuur. Met de Berthouts vochten de toenmalige bewoners tegen de Turken in Egypte ter bevrijding van Jeruzalem.  (zie Zondagsvriend, nr.26, 1953,  p. 856) Van de burcht is bovengronds niets bewaard, maar er zijn onder het gras nog steeds ruïnes.(Zoek bij straatnaam Bemortel)
In de middeleeuwen vormde de Bemortel het centrum van Sint-Katelijne-Waver. (3)(p.11)








Het logo van de stichting.


In 1227 werd de abdij van Rozendaal, op het grondgebied van de toenmalig  parochie St.-Catharina, maar nabij Walem, voor de Cistercienzerinnen gesticht. De stichting wordt toegeschreven aan Oda en Elisabeth Berthout, feitelijk aan Gillis Berthout, heer van Berlaar. De voornoemden waren de dochters van Gillis en de zeven volgende abdissen waren meisjes uit de familie Berthout.
In 1348 nam abdis Jutta Berthout ontslag. Ze bouwde een huisje op de oever van de Nete  dat nu nog bestaat. Het zogenaamde pesthuisje, het huis met de twee gezichten.
De heilige Ida Van Leuven verbleef in de abdij. Dit vrouwenklooster dat onder voogdij stond van de abt van Hemiksem speelde een grote rol tot aan de Franse Revolutie.
De zusters moesten vluchten naar (o.a.) Mechelen voor de Spanjaarden en  voor de protestanten ca. 1580  en de gebouwen werden geruïneerd door de Geuzen. Alles werd daarna glorierijk heropgebouwd. Na de Franse Revolutie ca. 1797 werden de zusters door de Fransen definitief verdreven en werd het grootste deel van de gebouwen als zwart goed aan de familie De Meulenaer verkocht, en daarna werden  o.a. delen van de kerk als bouwmateriaal verkocht. Zij lieten alles, behalve de poort, het abdissenhuis, het pesthuisje, het wagenhuis en het kwartier der vreemdelingen afbreken.

De poort van de voormalige abdij. Ervoor kinderen die er voor een vakantiekamp komen logeren. De bron van de foto vond ik niet terug.Sorry.


Van buitenaf is  nu nog de monumentale ingangspoort van abdis Agnes Haeghens te zien. Deze abdis liet in 1775 in de kruidentuin een arduinen zuil plaatsen met een stenen kruis erop. De zuil is er nog... In 1777 liet ze het poortgebouw optrekken en in 1781 het eveneens bewaard gebleven wagenhuis.
Op het domein gebeurden er een aantal restauraties i.o. van  het Vlaams gewest.

Bronnenmateriaal:

"Toeristische kaart van St.-Katelijne-Waver", uitgegeven door de vzw Toerisme, 2012.
Geen vermelding van auteur, "Zo leeft Sint KatelijneWaver", in: Zondagsvriend, nr. 26, jg. 21, 25 juni 1953
Stefan DE COCK, "Bemortel", archeologische Vereniging "Oud Mechelen", 1986.(1)(p.1), (2)(p.1)
Marc SWINNEN, "De Bemortel te St-Katelijne-Waver", een archeologisch onderzoek, Mechelse Vereniging voor archeologie, 1986/1. (3)(p.11); (4)(p.11)

Begrippen:

Bemortel: een voorname burcht met vluchtschans in het Waverwoud. De naam komt op verschillende manieren voor: Barmoorter (1266), Beremoortere (1324), Bemoreck (1380), Bemortel (1549) en Bermoorter in  de Nieuwe Tijd (na 1492). In de omgeving komen overigens nog een aantal moorternamen voor. Ze hebben allen betrekking op een moerassig, laaggelegen terrein naast een hoogte.
Het woorddeel "ber" heeft mogelijk betrekking op een of andere persoonsnaam of titel.
Uit verschillende akten blijkt dat de "bers" leenheren waren van landen en gebieden die rechtstreeks van de graaf afhingen. (4)(p.11)

Volgende aflevering: Over een aantal dorpsfiguren van toen

zondag 5 juli 2015

RAADSELS voor knappe ... wie lost ze op? * * **



Om de drie dagen een oplossing

1. Wat wordt groter hoe meer men er af neemt?

     een GAT

2.. Wat verkleint er door te groeien?

     een GAT in een HAAG

3. Een steen weegt 7 pond en een halve steen;
    hoeveel weegt anderhalve steen?

    21 pond

4.Welke nieren heeft niet iedereen?

    manieren

5. Hoeveel eieren kan een reus nuchter opeten?

    één, daarna is hij niet meer nuchter...

6. God zag het nimmer,
    een boer ziet het elke dag,
    een koning als het gebeuren mag?

    Zijn gelijke

7. Amsterdam, die grote stad, met hoeveel letters spelt men dat?

   Drie: d-a-t.

8. Ik wordt gegeten door boer en pachter, en ben van voor gelijk van achter.

    PaP

9. Wanneer blijft de mijnwerker het langst onder de grond?

   Als hij dood is.

10. Wat wordt nooit door de zon beschenen?

      De schaduw 

donderdag 2 juli 2015

"Het mannetje in de maan" sprookje ... volle maan* * *




Egbert Miske, "Mannetje in de maan", in: "Nederlandse Sprookjes", van Tjaard W.R. de Haan,  in Het Spectrum", 1980, 4de dr., p.119.

Tijdens de eerste heel warme dagen van juli 2015 zagen we een heldere volle maan aan het firmament .
Dit leek mij het ogenblik om dat sprookje dat door de ruimtevaart doorprikt werd terug in de belangstelling te brengen. Bewonder de prachtige tekening van Miske Egbert. De cirkel is de maan.

 HET MANNETJE IN DE MAAN
(versie Eemland)

In Vlaanderen: " 't Manneke uit de Mane"

"Vroeger hoorde je er wel van. Maar nu we naar de maan vliegen, is dat oude allemaal vergeten.Maar ik weet nog best, dat mijn moeder ons vertelde van 'het mannetje in de maan'.

Er was hier op Soest, jaren geleden, een gezin dat elke dag een heleboel hout nodig had voor de haard, want daar moest op gekookt en gestookt worden. Haast elke dag moesten er in het bos, waar ze dicht bijwoonden, hout en 'sparrenotten' gesprokkeld worden. Het gebeurde wel dat er niet genoeg was en dat er ook op zondag hout gehaald moest worden. Eén van de jongens ( ze hadden daar nogal wat kinders) moest dat doen iedere keer - ze hadden allemaal in dat huishouden zo hun speciale taak.

 Geregeld bracht hij te weinig hout mee naar huis. zijn vader en moeder mopperden natuurlijk, als hij met zo'n beetje thuis kwam en hij dan op zondag er weer op uit moest. Want werken op zondag is een schande voor God en de mensen. Maar hij trok er zich niets van aan; het werd zelfs steeds erger en er was op den duur geen zondag of hij moest er  op uit. Zijn ouders waren het zo zat geworden, dat 'schumen' en zwerven op zondag, dat ze er op het laatste niets meer van zeiden. Er was toch  niets met die jongen te beginnen. Maar het zou verkeerd aflopen, hij zou het zelf ondervinden.

 Op een zondag, even voor Kerstmis,trok hij er weer eens op uit om hout en 'sparrenotten' op te doen. Maar hij is nooit meer thuisgekomen. Hij was weg en bleef weg. Ze zeggen dat hij in het bos een oude man tegengekwam, die hem voor het laatst nog eens dringend waarschuwde: 'Je mag niet sprokkelen op zondag en stelen is helemaal uit den boze!'  Maar de jongen had de oude man een grote mond gegeven, en daarom is hij gestraft, want die oude man was niemand anders dan Onze-Lieve-Heer in eigen persoon!

 's Avonds zagen zijn ouders hem bij heldere maan in de maan zitten, met een bundel hout op zijn nek. En aan zijn voeten de hond. Want die was ook meegegaan naar het bos en hij is net zo min teruggekeerd als zijn baasje. Ze moeten daar voor eeuwig blijven zitten, zolang de wereld draait."

Tjaard W.R. de Haan, Nederlandse Volkssprookjes, Het Spectrum, Utrecht/ Antwerpen, 4de druk, 1980, p.119.

In: Nederlandse Volksverhalen van Jozef Cohen, s.d., vonden we p.150 een gelijkende versie onder nr. 14. "Heiligschennis"


Het manneke bij de maan te Diksmuide. Foto: eigendom H.F.E. Vermeir


Grote Markt z.nr. Standbeeld " 't Manneke uit de Mane". Dit standbeeld verwijst naar de volksalmanak die onder deze naam vanaf 1881 werd uitgegeven door "De Swighende Eede" (1880), een geheim genootschap van West-Vlaamse flaminganten onder de bezielende stuwing van Hugo Verriest. Priester Alfons Van Hee was van bij de oprichting tot aan zijn overlijden in 1903 hoofdredacteur van deze almanak. 
Verhuld beeldhouwwerk van 1978 n.o.v. beeldhouwer Adhemar Vandroemme (Ieper) op een sokkel met opschrift: "1881 ALFONS VAN HEE EN DE SWIGHENDE EEDE 1881". Voorstelling van een ventje dat in de maansikkel de almanak leest.


MOONS W., Van IJzer tot polder, Leuven, 1995, p. 52.
DALLE G., Gids voor Veurne Ambacht, Antwerpen, 1981, p. 234.


https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/78005

Duiding:

Samenstelling van 3 volksmondnotities door E. Heuers in Neerlands Volksleven , jrg. 26, nr. 1 (1976).
Vele lezingen vermeldt Sinninges Katalog, nr. 8 van de rubriek 'Ursprungsagen'. Zie ook. ter Laan, Folklore in de Nederlandse overleveringen, Amsterdam 1949, blz. 139-149, Karel M. de Lille te Ieper (België) heeft er in 1973 een hele studie aan gewijd ('De legende van 't Manneke uit de Maan in Vlaanderen).
 Een passage uit de bijbel (Numeri XV, vers 32-36) mag aanleiding gegeven hebben tot het verhaal, al lezen wij daar nog niet van een verbanning naar de maan. Wel gaat het over een zondagse houtsprokkelaar, die voor straf wordt gestenigd. als 'De man met de takkebos' berijmd door B.W.A.E.  Sloet  tot Oldhuis (Neerlands Volksleven,  XIII, ble. 375-377)

Bron:

Tjaard W.R. de Haan, o.c., p.119.