Rozendaalweg

Rozendaalweg
ECHELPOELHOEVE, Rozendaalweg: landelijk / mooi / historisch, foto: H. Vermeir

maandag 13 november 2017

KERMIS ... PROCESSIES ... OMMEGANGEN "Hoboken" en "Watermael" en één beschreven door Pol Heijns




Pieter Brueghel de Oude (ca. 1520/25 - 1569), De kermis van Hoboken / de kermis met St.-Jorisvlag,  41 x 29,7 cm, 1559-'60).
Op het vaandel boven de kroeg aan de rechterzijde staat: "Dit is de Gulde van hoboken". Men ziet  nog een vaandel met de woorden "laet de boeren haer kermis". Dit is een verwijzing naar het Edict van 1531 van Karel de Vde waarbij men probeerde kermissen  in te dijken. De kerk, waarvan het woord 'kerkmis' afkomstig is,  staat in het midden bovenaan. Daarrond is een processie gaande van Sint-Sebastiaan, de patroonheilige van de schuttersgilden.(1)(p.96)

Pol HEYNS een kermis in Vlaanderen tijdens het Interbelleum":

"Over Kermissen, processies en gilde-ommegangen"

"Op een schonen zomerdag heb ik eens een ver, oud dorp bezocht. Het was nog in de goeden tijd, toen er op de kermisdagen vlaggen op de torens staken en de echte kermisvreugde ook op de gezichten van de mensen te blinken stond. 
 De zon was van de partij, de dorpelingen hadden hun gevels gewit en hun deuren herschilderd; de grauwe grond, tussen de huizen en de 'kasseikes' van de steenweg, was opgerafeld in nette, diepe strepen, en achter alle ruiten stond, feestelijk opeengehoopt tegen de blanke gordijntjes, de bonte weelde te vlammen van allerhande kleurige bloemen. Alla, het was een kermis als een droom.
 's Morgens was de processie uit geweest. Het groene en 'freele' strooisel van struik- en bloemblaadjes lag, in de namiddag nog, op de 'straatkasseikes'.
 's Noenens natuurlijk was er lang aan tafel getoefd, van bij den twaalven tot ongeveer bij den drieën, maar dan was er overal opeens in de dikke buiken en de roodgezwollen koppen toch weer iets levends geworden, want drie uur, dat was de afspraak.
Om drie uur immers zou de gilde rondgaan, van aan de kamer tot op het schietplein onder de lange, rilde wip waarop de vogel reeds te wachten stond naar de 'felle' pijl die hem zou neerhalen.
 Zo dan, de gilde ging uit. Zij paradeerden door de straten en overal waar maar een 'gildeconfreer' woonde die herberg hield, werd stilgehouden. Het bier, dat gaatjes lekt in de hersens en bovendien zo gemakkelijk slapte en onvastigheid brengt, zelfs  in de kloekste boerenbenen, het zypelde daar in  de gebroederen, die elkaar dan maar vasthielden om des te beter vriendschap te kunnen sluiten.
 Nauwelijks echter roffelde buiten de zware gildetrom, of al de 'confreers' kwamen weer de straat op en recht, alsof zij helemaal nog niet gedronken hadden, stapten zij verderop, naar't volgend 'kappeleke' toe .."
(2)(p.211/212)



Edgard Tijtgat (1879-1957), De processie te Watermael, 1919.(3)
De kermis staat, maar 's morgens ging de processie uit en dan mochten de molens en schommels nog niet in beweging zijn.

BRONNEN

Ettore Camesa, "Pieter  Brueghel", Lekturama, Rotterdam, 1976. (1)
Paul Heyns, "Antieke Kalenderprenten", Davidsfonds, Leuven, 1945. (2)

zondag 5 november 2017

muziekinstrumenten / Lucas van Leyden / over de muzikanten / 16de en 17de eeuw / van bedelaar tot nar / Uilenspiegel




DATA
Hendrik Hondius naar Lucas van Leyden, Uilenspiegel, zwervend paar, 1520
adres: Lucas leydanus invent // HHondius excudit, 1644
opschrift: 1520 / L (bovenaan in de houtsnede)
onderkast: Dees eerste vorm is wech,
                 men vinter geen voor ons,
                 / Want een papiere druck, 
                 gelt vijftich Ducatons.
ducaat: Een muntstuk uit de zeventiende eeuw ter waarde van 5 gulden.
houtsnede
Brussel, Koninklijk Prentenkabinet, inv. S. I20099, 4°
lit: HOLLSTEIN X. p.179, nr. 159. HOLLSTEIN IX, p.88,nr. 46.

in: "Muziek en Grafiek, Burgermoraal en muziek in de 16de- en de 17de eeuwse Nederlanden",  door K. MOENS en I. KOCKELBERGH, Antwerpen, 1994, Catalogus   afb.92.

INVENTOR
Lucas van Leyden (1494 Leiden(?) - 1533 Leiden)
Burijngraveur, houtsnijder.
Leerling van zijn vader Huygh Jacobsz en van Cornelis Engelbrechtsz, bij wie hij de graveerkunst leerde.
Reisde in 1521 met Jan Gossaert naar Antwerpen. Hij ontmoette er Dürer, die hem in zijn later werk beïnvloedde.
Hij is bekend als een vroegrijpe graveur - reeds op zijn 14 jaar sneed hij volwaardige prenten - maar ook als schilder liet hij een merkwaardig, maar een beperkt oeuvre na.


BESCHRIJVING
Laat ons de prent eens van dichterbij bekijken.
Een geschoeide man speelt doedelzak, met daaraan een uitzonderlijk lange "bourdonpijp" (?)
De vrouw blootsvoets, in eerder haveloze kledij, draagt een kind op de schouder.
In totaal tellen we zes kinderen.
Eén vooraan links, geschoeid, met een uil op de schouder en een stok in de hand.
Ervoor een snuffelende hond.
Twee kinderen in een gevlochten mand op de rug van de doedelzakspeler en twee in een tuig dat over de rug van de ezel hangt.
Rechts bomen met groene takken en een verdorde tak. In de verte een burcht.
Een prent die armoezaaiers met enig begrip voor hun situatie  en hun inzet voor een beperkt inkomen en hun kinderen binnen deze moeilijke context probeert weer te geven met enig begrip.

BESPREKING
Hier wordt een arme zwervende muzikant met zijn gezin in beeld gebracht.
De symboliek speelt een grote rol, i.v.m. het instrument en een aantal elementen(slechte eigenschappen) die verwijzen naar de muzikant en zijn gezin.
De uil staat voor domheid;
De lepels in zijn hoed voor dwaasheid en mateloze  vraatzucht,
De dorre tak voor de vergankelijkheid van hun (vleselijke) liefde, vele kinderen voor hun proscuïteit;
en de doedelzak zelf die door zijn vorm zou verwijzen naar het mannelijk geslachtsdeel;

Vele vooroordelen die de afgebeelde persoon  in verband proberen te brengen met domheid, drankzucht, luiheid, oneerlijkheid, ontucht, ...

GEFORMULEERD IN VERZEN
op luiheid: "Ik ben van 't leuyaerds gild, en van de bedelklerken, /
                  Die liever spelen gaen, dan dat sy souden werken,/..."
de luie boer: "Nooit zal driftig zweet voor deze neus goed ruiken, terwijl 't de boeren lust de doedelzak                      te  bespelen"
           en   : "In Ploegh noch Spaeij en heb ick sin,
                     Soo langh ick hier mee Duijtjes win."
spaeij: spade
duijtjes: duit, kleine munt. Een duit was een Nederlandse koperen munt van geringe waarde die vooral gebruikt werd in de 17e en 18e eeuw. De duit is afgeschaft met de decimalisatie van het Nederlandse geldsysteem aan het begin van de 19e eeuw. Acht duiten waren een stuiver waard, dus gingen er 20 maal 8 = 160 duiten in één gulden.

Met welk recht werden deze mensen op deze wijze beschimpt, terwijl de heersende  kaste er op uit was om van deze armoezaaiers te profiteren.

OPMERKING
Dat hier Uilenspiegel wordt voorgesteld daar mag men aan twijfelen.
Uilenspiegel was in de oorspronkelijke Duitse tekst eerder een misdadiger.

BRON
K. MOENS en I. KOCKELBERGH, "Muziek en Grafiek, Burgermoraal en muziek in de 16de- en de 17de eeuwse Nederlanden", Antwerpen, 1994,  p.33 en  Catalogus   afb. 92.

maandag 23 oktober 2017

** De FEODALE WERELD en het machtsmisbruik van heren en vazallen **

******************************************************************************************************************************


G. GYSELS en G. MICHEL, "De Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijden", Sciences et Lettres, Luik, 1953,  p.26.

Het bestuur van een heerlijkheid bevatte meestal de uitoefening van eenzijdige rechten op goederen en personen.

In ruil voor de aangegane verplichtingen verkreeg de vazal over de bewoners van zijn domein
bestuursmacht = heerlijke rechten
en bepaalde rechten  verbonden aan het grondbezit = feodale rechten.
De omvang van de rechten van voornoemde verschilde volgens de concessie.
* Het bannum was het recht om reglementen uit te vaardigen, om politie te verzekeren, om officieren (baljuwen, ...) aan te stellen;
* Als gevolg van de banrechten waren de onderdanen verplicht, mits de betaling van een bepaald bedrag, gebruik te maken  van bedrijfsgebouwen van de heer: molen, oven, brouwerij... ;
* Als gerechtsheer mocht de vazal boeten en lijfstraffen opleggen, de griffie- en zegelrechten en de notariële rechten innen;
* Het muntrecht, het recht om munt te slaan werd enkel aan hogere heren of bepaalde steden toegestaan;
* Talrijke doorgangs- en markttollen, werden geheven aan stedelingen, maar ook aan boeren, waardoor de bedrijfsactiviteit werd gehinderd.
* De landbouwers waren de heer voor het gebruik van de tenures een persoonlijke bijdrage verschuldigd (bede),of de cijns (in geld of natura) of de campipars (deelbouw of recht van de heer op een deel van de voortbrengselen).
* De onderdanen moesten corveeën (onbetaalde arbeid) verrichten aan burchten, wegen en bruggen en op het vroonhofland (bebouwd voor rekening van de heer).

De heer werd door ambtenaren bijgestaan.
Hij sprak recht in de feodale rechtbank, die tevens een jurisdictie van beroep was voor de domeinen van zijn leenmannen.
Hij beschikte over een kanselarij waarin klerken  gerechtsoorkonden opstelden en alle schrijfwerk verrichten.


Ontstaan van vorstendommen op het gebied dat we nu België noemen. (10de en 11de eeuw)
G. GYSELS en G. MICHEL, "De Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijden", Sciences et Lettres, Luik, 1953,  p.71.

De heren schoven allerlei lasten op de schouders van de boerenstand.
De Conte des Vilains deVerson (dorp dat van de abdij van de Mont-Saint-Michel afhing) beschrijft nauwkeurig het ellendig bestaan van de lagere klassen en de horigen.

MACHTSMISBRUIK en SLAVERNIJ


"... wat later moet men wieden, met  benden naar het veld gaan en er urenlang arbeiden onder het toezicht van de mannen van het kasteel.

Dan in de maand augustus, onder de bradende hitte, moet men het graan afmaaien, het aan schoven zetten en het in de schuren bergen; zelfs onze kinderen worden dan tewerkgesteld.
Het graan van de arme landbouwers blijft op het veld, het heeft te lijden van wind, regen en hagel tot ze klaar zijn met het werk van de heer.
Als de oogst geborgen is, komt de barse een hardvochtige tiendegaarder op zijn kar om een gedeelte van onze opbrengst voor de heer te heffen...
Dan in september op Onze-Lieve-Vrouwedag moet men één zwijn op de acht aan de heer afstaan. Op Sin-Dyonysius moeten de cijns en de gebruikelijke rechten afgedragen worden. Daarna wordt er geploegd en gezaaid, iedereen moet een acre (50 a) voor de heer eggen en rollen. 
Met Sint-Andries en Kerstmis worden er geschenken, gebak en hoenders naar het kasteel gedragen terwijl er thuis niets overschiet voor de kinderen...
Dan moet men weer eggen en gerst zaaien. Daar hebben we Palmzondag. Zij die zich afsloven in dienst van de heer kennen echter geen vrolijke lente. Men moet naar de smid gaan  om de paarden te laten beslaan en het bos intrekken om er mutsaards te binden...

Wat een hard bestaan! De heer heeft steen nodig voor een nieuw gebouw. Ga ze halen. De metselaars zijn vlijtig, gij wordt als opperman gebruikt.


Betaal de molenaar die zijn deel van je geringe opbrengst afhoudt want je moet naar de banmolen waar de heer nogmaals het zijne opeist. Betaal de trotse bakker van de heerlijkheid, die je brood zo slecht bakt...

Stort 3 schellingen aan de heer als je dochter trouwt...
De heren lachen om dit alles: ze spotten met de arme lijfeigenen..."   (naar A. Thomas)


G. GYSELS en G. MICHEL, "De Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijden", Sciences et Lettres, Luik, 1953,  p.26-27.


Engelse miniatuur uit het Psalter van koningin Mary, ca. 1310-1320, British Museum.
In: "Le Moyen Age", Jacques LE GOFF", Bordas, 1962, p.21.

De opzichter van de heer dirigeert;  de boeren oogsten het  graan met een sikkel.
De boer ging gebukt onder de heerschappij(dwingelandij) van de heren,  hier uitgeoefend door een  opziener met stok  en hoorn, voorloper van de fluit. Het had alles van slavernij.

****************************************************************************************************************************

dinsdag 10 oktober 2017

* * rétromobiles oldtimers recordbedragen * *





Een bijzondere DELAGE D6 3liter , waarvan er slechts zeven werden gebouwd, gekocht door een Belgische koper, voor € 1.100.000, op de veiling van Bonhams, die op 6.02.2014 in het Grand Palais in Parijs gehouden werd met 100.000 bezoekers.

Oldtimers winnen steeds meer aan belangstelling.
Zowel voor liefhebbers als investeerders, die hun winstkansen zien stijgen. Hierbij geldt het gezegde:" Een oldtimer is plezier op korte termijn en rendement op lange termijn."
Alles hangt af van wat je koopt.
Rendement krijg je bij zeldzame wagens die in kleine hoeveelheden werden geproduceerd.


PORSCHE 911 Speedster uit 1989, verkocht door de eerste eigenaar.Er stond 650 km op de teller.
Daardoor vormde de wagen op de veiling van Bonhams op 6.02 in het Grand Palais 2014 een bijzonder item. De richtprijs  lag tussen € 100.000 en 150.000, maar er werd een bedrag geboden van € 310.000.


Een gewone wagen die al bij de lancering  geen kassucces is, zal nooit hoge prijzen halen.
Het merk of de ouderdom alleen is geen zekerheid op winst .
Ferrari maakte in de jaren 1980 en 1990 modellen die nu weinig waard zijn.
Een Chrysler Sedan uit de jaren 1930 is maar een deel waard van een Duesenberg SJ Speedster uit dezelfde tijd.
Een Amerikaanse Jaguar E-Type 2 + 2 met automatische versnelling haalt geen hoge prijzen, daar er tienduizenden van geproduceerd werden.
Indien er van de 100 E-Types  slechts 50 coupés en 50 roadsters gemaakt werden, dan zouden die veel opbrengen.
Zoals de Ferrari 250 GTO, waarvan er maar 40 gemaakt zijn.



FERRARI
De meest uitzonderlijke uitslag op de veiling van Bonhams van 6.02.2014 in het Grand Palais was deze Ferrari 275 GTB/4 Berlinette. Na een spannende serie biedingen, werd hij afgeslagen voor een aanzienlijk bedrag: € 2.225.000.

Welke groepen in de maatschappij zijn kopers?
➲ Ten eerste: de oude kopers die al geïnteresseerd waren door immobilia. Zij bouwden reeds mooie verzamelingen op, maar kopen amper bij omdat de prijzen hoog zijn.
➲ Ten tweede: daarnaast zijn er de verzamelaars die uit zijn op rendement. Zij kopen wagens om ze terug te verkopen met winst.
➲ Ten derde: de lifestyle autoliefhebbers.
Ze kopen oldtimers die nu in de mode zijn: een Jaguar E type, een MG, een Triumph, een Porsche 356 of een Austin Healey. Of een Ferrari 275 GTB als ze meer geld hebben.



ALFA ROMEO
Op de veiling van 16.09.2013 Bonhams Goodwood werd een recorbedrag gehaald voor de Alfa Romeo  racewagen, de ex-Tazio Nuvolari Alfa Romeo Tipo C BC-35 '50013, Scuderia Ferrari nr. '65' uit 1935, voor € 7,1 milj.

Waardebehoud
De waarde van de klassieke auto's is in 2013 let 39% gestegen volgens Historic Automobile Group Index (HAG), die de financiële prestaties van de 50 meest zeldzame classic cars volgt.
Deze auto's presteerden eter dan verzamelobjecten zoals goud, wijn,kunst, postzegels en munten in de afgelopen 10 jaar.
De klassieke auto die de grootste koersstijging heeft gezien is een Ferrari. Deze 1963 Ferrari 250 GTO racer werd in de zomer van 2014 verkocht voor 52.000.000 dollar.


FANGIO MERCEDES-BENZ
Deze Fangio Mercedes-Benz W196R Formule 1 Single-Seater uit 1954 werd op de veiling van 12 juli 2013 bij Bonhams Goodwood een bedrag van € 22.701.864 geboden.
Het belangrijkste bedrag ooit voor een Mercedes-Benz betaald.



Bron: Thijs DEMEULEMEESTER, Weg van Wagens, in: "Collect Arts Antiques Auctions", Gent, nr.443, maart, 2014, p. 60-63.

maandag 2 oktober 2017

'n lied / 'n gedicht van Jan Luyken


DUYTSE LIER 
(Duytse: Nederlands en Germaans
  Lier: harpachtig snaarinstrument, draailier)


Het singen,
't Springen,
't Fluyten
't Tuyten
En 't swieren,
Gieren 
Dat
In de 
Linde,
Leefde,
Sweefde,
Was nu stil, en sat
Te luysteren;
't Fluysteren
Van de baan ging sacht.

Joan, Luykens , Duytse Lier, t'Amsterdam, 1671.

Hier een tekst die door zijn vorm verraadt  dat het om een liedtekst gaat door de opvallende vorm.
Het komt uit de achtste verdeling 'Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynbergs', waarvan de tekst gezet is in eenheden van de zang. (zie boven)

Jan LUYKEN


"'t Zedig aangezicht" van Jan Luyken uit de 2de dr. van 's Menschen Begin, Midden en Eynde [1719].
Uit: De Nederlandse Letterkunde in honderd schrijvers, door o.a. Ger Schmook, J. Hulsker, Garmt Stuiveling  ..., Den Haag/ Antwerpen, 1953, 2de dr., p.61



EMBLEMATA


Uit: Voncken der Liefde Jesu [1687].
Na Luykken is het met de populariteit der amblemata-literatuur gedaan.

vrijdag 22 september 2017

P. de Ronsard : Liefdespoëzie


IN OPBOUW

Sonnet

Wie zien wil hoe fel Amor mij genaakt,
   Hoe hij mij grijpt, zich van mij meester maakt,
   Hoe hij mijn hart in vuur en ijs verkeert,
   Hoe zelfs mijn diepste schaamte hem vereert,
Wie zien wil hoe vergeefs en hoe gereed
   De jonge mens zich stort in liefdeleed,
   Hoeft slechts te lezen, en hij ziet mijn pijn
   Waarom godin noch god bekommerd zijn.
Dan weet hij dat liefde zonder rede is,
   Een zoete waan, een prachtgevangenis,
   Een vale hoop, gevoed door ijle wind.
En hij beseft tot zijn ontsteltenis
   Dat hem, verdwaald, als gids gegeven is
   Een blindeman. Zijn meester is een kind.

Het eerste sonnet uit Les Amours van P. de Ronsard (1525-1585).
Vertaling P. Thomas en K.P. naar Oeuvres complètes. Textes établi par et annoté par C.Cohen, 1950, I.3 (Bibliothèque de la Pléiade)


                                             Portret van P. Ronsard en van Cassandra Salviati

Naar een houtgravure gepubliceerd in de uitgave van de "Amours" uit 1553.
Hij is hier 27 jaar, en geïdealiseerd. Dat van haar is weergegeven volgens de toen geldende conventies.
in:  "Histoire Illustrée de la Littérature Française" van CH.-M. des Granges, Paris, septième éditions, 1916,   blz.203

Het origineel:

Qui voudra voir comme Amour me surmonte,
   Comme il m'assaut, comme il se fait vainquer,
   Comme il r'enflamme et r'englace mon coeur,
    Comme il reçoit un honneur de ma honte:
Qui voudra voir une jeunesse pronte,
   A suivre en vain l'objet de son mal-heur.
   Me vienne lire, il voirra ma douleur,
   Dont ma Deesse & mon dieu ne font conte,
Il cognoistra qu'Amour est sans raison,
   Un doux abus, une belle prison,
   Un vain espoir, qui de vent nous vient paistre:
Il cognoistra que l'homme se deçoit,
   Quand, plein d'erreur, un aveugle il reçoit
   Pour sa conduitte un enfant pour son maistre.

vrijdag 15 september 2017

* Rederijkerspoëzie : Anthonis de Roovere Brugghelinck "zotte refreinen" BRUGGE






Titelbladzijde van De Rooveres 'Rethoricale Wercken', Antwerpen, 1482.


"In 't amoureuze en het zotte"

'Gheen maetken vol voort overloopt'

Hy lutste// hy clutse//
noch wat aent bommeken/
Sy crevelde// hy stevelde//
sy speelden mommeken/
Hy greepse// doen peepse//
recht als een gans
Int donckere// den Jonckere//
wijsde zy tblommeken
Hy dancktese// doen janctese//
rechts als een stommeken/
Hy swichte// sy lichte// tvat stappans
Hy duchte//sy suchte// en sprach
och hans
Al leket// versteket// doch nederwaert
Ghy sult// ghevult// noch vinden bijcans
Mijn cruycxken// o buycxken//
den wijn niet spaert... 

Uit hierboven vernoemd werk, blz. 399-401, maar verschenen in: "Vlaanderen", jg.31, mei-juni 1982,  nr. 188, p.160.


Verliefd paar. Houtsnede uit de prozaroman 'Historie  van Floris ende Blancheflour'. Gedrukt bij J. van Doesborch - Antwerpen, ca. 1517. 
Het paar houdt een anjer - symbool van liefde - in de hand.

Verder over de poëzie van hierboven.
We moeten hiervoor naar zijn Rethoricale Wercken. Daarin verscheen 'Gheen maetken vol voort overloopt'.
Het is een scabreus gedicht waarin  sex tussen een 'fraey' en 'frisch ioncwyveken' en een 'rutere /  een clutere' ( clute:  grap, aardigheid, zotternij; een klucht, een ten toneel gevoerde grap) in termen van wijntappen beschreven wordt.
De jongen moet haar'maetken' of 'cruycxken' met wijn vaatje  vullen. De vrouwelijke onverzadigbaarheid wordt te kijk gezet. In de stokregel roept ze uit: "geen maetken vol voort overloopt", zodat  de drie eerste strofen steeds voortgang vinden.

We kennen uit de rederijkersliteratuur sex-refreinen, die de beeldspraak ontlenen aan een beroep, een ambacht of een spel. Het refrein van De Roovere is  het oudst(relatief-) dateerbare van deze refreinen.(1)

crevelen: haar hart ophalen
stappans: op staande voet 

BIOGRAFISCHE NOTA
De Roovere werd te Brugge geboren (De Dene noemt hem een ingheboren Poorter van Brugge)
zijn geboortejaar komt nergen aan de oppervlakte, maar er is een vermoeden dat dat ca. 1430 is.
Dat hij talentrijk was blijkt volgens De Dene dat hij op zeventienjarige leeftijd een rederijkerswedstrijd won die hem de titel van Prinche der Rethorijcken opleverde.
In het burgerleven was De Roovere een vry metselaar van zijnen ambachte, en bij heel wat feestelijke gebeurtenissen in de Bourgondische tijd werd een beroep op hem gedaan door het stadsbestuur voor de opsmuk van de Brugse straten.
Men vroeg hem ook om mee te helpen aan de enscenering, uitwerking( en regie?) van allerlei vertoningen zoals pantomines, spelen en 'togen' die in de stad  n.a.v. de feestelijkheden werden vertoond.
In 1466 viel hem een speciale eer te beurt. Omwille van bewezen diensten aan de stad en aan de bevolking kreeg hij een jaargeld toegekend  van zes pond groten, dat hem jaarlijks in twee schijven van drie pond uitbetaald werd  in september en maart. Van dat jaargeld kon hij niet leven.
Hij overleed in 1482.

BIBLIOGRAFIE

F. Van Vinckenroye, Anthonis De Roovere als wereldlijk dichter",  in: "Vlaanderen", nr. 188, jg. 31,1982, blz. 160. (1)


zondag 27 augustus 2017

* * * 12 september: over Sint-Guido / over de koster / Olen



SINT-GUIDO de patroon van de KOSTERS

 Sint-Guido, prent van de Broederschap .

  Feestdag 12 september




De functie van koster staat in nauw verband met de dingen van hierboven en krijgt daar ook afglans van.
Hij zorgt ervoor dat voor de  kerkelijke diensten de kazuifels gereedhangen, de nodige  kaarsen branden, de wierook en kwispel gereed zijn bij een pontificale mis, wijn, water en hosties voorradig zijn, ... en hij wordt betaald.

In de negende eeuw waren er reeds kosters in onze streken.
Een zekere aartsbisschop Hincmar zetelend te Reims, in de periode van Karel de Kale, vaardigde ca. 870 uit dat de pastoors zich in de uitoefening van hun ambt mochten laten bijstaan door een "clerc", een "castor" of "koster"

Deze koster kon de zakelijke aangelegenheden van het kerkgebouw en de eredienst in overleg met de pastoor tot zijn taak rekenen. De aangestelde kosters waren aanvankelijk priester , gewijd en gezalfd , maar zonder rechtstreekse parochiezorg.

De koster kreeg ook een onderwijsfunctie. Hij onderwees de jeugd over de godsdienst, leerde ze bidden,  leerde hen de gebeden afdreunen, en ook kerkzang werd onderwezen.
De inhoud van de taak leidde tot een opsplitsing van de benaming  en zo sprak men van "kerk-koster" en van "school-koster", ook al had deze laatste nog weinig te maken met de kerk.

De benaming evolueerde  in "kosterlap" of "kattekoster" doordat de schoolkoster als bijverdienste voor de uren dat hij niet onderwees op kosten van de kerkfabriek  als "kosterlap" functioneerde. Iem. die af en toe inspringt, helpt.



"Over 's kosters bezigheden en revenuen(inkomsten)"

Tijdens " Ancien Régime"(tot 1795)

Custercoren

Er waren kosterijen  die een hoog inkomen waarborgden doordat ze in bezit bleven van rijke adellijke families of dat er om het begevingsrecht  strijd werd geleverd. In het laatste geval werd het begevingsrecht toegekend aan de meest biedende, die tijdens zijn ambtsperiode dit probeerde terug teverdienen. 
In vele gevallen bleven de "revenuën" binnen de perken.
Als gebruikelijke vergoedingen:
ten eerste , het bewonen en gebruik van het kostershuis;
ten tweede, het recht op het gras en het hooi  afkomstig van het kerkhof, waar het volgende spreekwoord van overbleef: "Kosters koe mag op het kerkhof weiden";
ten derde , het recht op "custerscoren". (koren waarop de koster recht had)

Te Mol moesten boeren , die minsten één hectare bebouwden, de koster jaarlijks één ton rogge afstaan, terwijl de burgers hem een brood van acht pond moesten bezorgen.
Te Berlaar en omstreken haalde de koster persoonlijk dat koren in het begin van de winter op, een gebruik dat nog bestond in het jaar 1904 te Bazel in Oost-Vlaanderen.

Tiendenrecht

Het "custercoren" is een overblijfsel van het tiendenrecht dat tijdens het "ancien régime" door de bedienaars van de kerk mocht geheven worden.  Er is een oud gezegde dat daar naar verwijst: "Hij vertelt veel waar koster of pastoor geen "ting" (of tiende) van hebben". Het gaat over iem. die liegt.

Hierbij een oud kosterliedje waarin met het tiendenrecht de draak wordt gestoken.

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,
Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben ons een zak geld gebracht,
't geldje van klink, klank, kloria!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vet hinneken gebracht,
't hinneken van tink, tank, toria!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vetten  haan gebracht,
den haan moet den pot ingaan!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vet verken gebracht,
het verken smeert de pannen van de papen en de klerken.

Er wordt in de laatste regel verwezen naar de hebzucht en schraapzucht van de papen en klerken.

hinneken: hen, vrouwelijke kip
tink: tienden (?)
papen: geestelijken
klerken: schrijvers

Andere profijten...

Te Aarshot had de koster  op Goede Vrijdag de opbrengst van de altaren en aan het heilig kruis.
Andere profijten...
Bij een doopsel had hij recht op een brood  van acht pond,
bij een sterfgeval op vier baarkeersen. De kaarsen rolde hijzelf. Men noemde de baar, het tuig waar de lijkkist op stond.

Een gezegde dat naar het bovenstaande verwijst: het gaat over een kind dat aanhoudend met een snotneus rondloopt.
"Menneken, g'hebt 's kosters wiek gestolen".



BIM, BAM, BEIEREN, de koster mag geen eieren.

"Bim, bam, beieren,
de koster mag geen eieren,
wat mag hij dan?
Spek in de pan.
De koster is ne lekkere man."

De koster had het recht om in de Paasweek de boerenhoven te bezoeken om voor de pastoor en hemzelf eieren in te zamelen. Hij moest in de plaats suikergoed aan de kinderen uitdelen. Het hele gedoe bracht hem weliswaar meer op dan het kostte. Dit recht van de koster ging het langste mede.
Het ging niet zozeer om de eieren maar wel om de opbrengst ervan.


Plichten van de koster.

Hij moest "onderdanig en eerbiedig zijn aan de pastoor",
blijk geven  van "godvruchtigheid, zedelijkheid en betamelijkheid, bekwaam om te stichten en te dienen tot exempel van de parochianen".
Hij had de zorg over de kerk, moest zorgen dat bij de diensten het altaar en sommige beelden waren versierd. Hij stond borg voor de bewaring en goede staat van alle kerkgerief: kelken, cibories, gewaden, enz... Hij moest zorgen dat de kerk netjes gekuist was.
Bij dit laatste ging wel een raar gebruik schuil
De eerste keer dat de koster na de grote kuis, de kerk betrad, moesten de kuisvrouwen hem de schoenen vegen, een eerbewijs waarvoor hij zeer gevoelig was.


De koster van Olen.

De pot van Olen en Keizer Karel dat weten we al.
Maar dan...

"Daar is een groot confuus geschied
en dit door kosters fout.
't Was winter en wie weet dat niet?
Het vriest dan en 't is koud.
't Was t' Oolen, wil mij wel verstaan,
dat eens de vroegmis aan zou gaan,
eenieder snelde naar de kerk,
't was zondag, zoo ge merkt"

De pastoor vraagt aan de koster de wijwateremmer gereed te houden voor het "Asperges me", maar ziet bevroren water.
"Sapristi" zei de pastoor, "wat gaan we nu doen?"
"Ha, ontdooien, hé , mijnheer pastoor." antwoordde de koster.
"Weet ge wat: ik zal er onmiddellijk mee naar huis lopen. Ons Marie heeft de kachel al een tijdje aangestoken en ze brandt lijk de hel. 't Zal rap gesmolten zijn."
"Goed," besliste de pastoor, "spoed u."
De koster liep naar huis en zette de wijwaterketel op het vuur. Maar de koesterende warmte verlokte hem om zijn schenen eens wat te laten roosteren. Ineens: bonk, bonk, bonk, daar luidt het. De mis moet beginnen. De koster blaast de kaars uit, neemt ijlings de pot van het vuur en loopt naar de schemerdonkere kerk, waar de pastoor hem opwachtte aan het altaar.
"Eindelijk," zei hij, "eindelijk."
De koster verontschuldigde zich niet, hij stak eenvoudig zijn emmer uit en liet de pastoor de kwispel er in onderdompelen. Deze zette zijn "Asperge me" in en stapte de kerk door, zwepend en stroelend... maar met pap in plaats van wijwater, want in zijn haast had de koster, ocharme, de verkeerde pot van de kachel genomen!

Nog spreekwoorden over de koster...


- De koster en de pastoor zijn het zelden eens.
- Als pastoor en koster kijven, dan komen de geheimen uit.
- Neemt honderd kosters en ge hebt maar negen-en-negentig gekken, want altijd moet men er rekening mee houden dat er een dubbele gek bij is.  Dat is nu niet meer.
- Wat nu gezongen zei de koster en de kerk stond in brand.
- Kosters koe mag op het kerkhof weiden.
- 's Kosters wiek stelen.
- Hij vertelt veel waar koster of pastoor geen "ting" (of tiende) van hebben

BRON:

Pol HEYNS, "Antieke Kalenderprenten", Davidsfonds, Leuven, s.d., p.93 e.v.

donderdag 17 augustus 2017

PLATONISCHE LIEFDE e.a./ merkwaardige gravures

MAN en VROUW 16de eeuw

prenten die tot de verbeelding spraken




Cornelis TEUNISSEN,  Armoede en Weelde, in:  "Verlokking en Begeerte", Hilversum, s.d.,  dl.2 p.24.

We zien vijf personen die zich naar rechts bewegen. Een vrouw "Aermoede" met metalen tang voor de haard, de twee figuren in het midden "Sorgeloos" en "Bouer" en "Weelde" en "Gemack". Twee vrouwen en drie mannen. Op de grond ligt links een "driestael"  een stoeltje met drie poten. Armoede jaagt de twee figuren in het midden op, twee figuren  waarop werd neergekeken in de late middeleeuwen. De gewapende man en de weelderige vrouw maken zicht uit de voeten. Aan de gebouwen zien we dat de Renaissance tot ontwikkeling is gekomen.

bouer: boef, schelm of boer 


PLATONISCHE LIEFDES

zij is een valse vlag, die een verdachte lading dekt;
zij is een valse sleutel om te komen waar men niet mag zijn;
zij is de honderdste variant op de fabel van de vos, die de druiven waar hij niet bij kon, te zuur vond!
zij is het eerste stadium van een grote liefde of het laatste van een kleine liefde, maar nooit de liefde zelf;
zij is de vinger, die de gelegenheid biedt het hele land te nemen;
zij is een bisdom in partibus infidelium, als men geen parochie te vergeven heeft;

Boutades van MANTEGAZZA





Albrecht DÜRER(1471-1528),Levenslustige oude man doet een voorstel, in:  "Verlokking en Begeerte", Hilversum, s.d.,  dl.2 p.64.


Een oude man grijpt in zijn beurs om aan de opzichtige dame te betalen voor de diensten die ze zal leveren. Het paard staat er wellustig bij en de vrouw heeft een wapperend kledingstuk. De oude bok lust nog wel een groen blaadje.Rechts van de man ligt een eerder rare hoed die een verwijzing naar wellust kan zijn.Hij heeft 'tootschoenen' aan. Links in de achtergrond zien we een soort vesting die te veroveren is. De bomen hebben eerder kale takken wat kan verwijzen naar het zondige.


%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%

Cornelis Teunissen
________________________________________________________________


Cornelis Anthonisz (Amsterdam ca. 1505 - 1553), ook Anthonissen of Teunissen genoemd, was een Nederlands prentkunstenaar, cartograaf en kunstschilder.Hij is vooral bekend om zijn houtsneden. Zijn bekendste houtsnede is de "Vogelvluchtkaart" van Amsterdam uit 1544, die gedrukt is met 12 blokken. Deze houtsnede was zeer populair en is nog tot ver in de zeventiende eeuw herdrukt, waardoor er verschillende versies van bestaan, zoals een versie met rechtsboven een gotisch initiaal  D, één met Latijns initiaal D versierd met plantenmotieven  en één met Latijns initiaal D met een voorstelling van koning David . (Wikipedia)


Paolo Mantegazza



Paolo Mantegazza
Paolo Mantegazza (Monza, 31 oktober 1831 – San Terenzo, 28 augustus 1910) was een Italiaans medisch antropoloog die het cocagebruik bij Indianen in Peru bestudeerde.
Mantegazza werd geboren te Monza. Hij reisde naar Peru en bestudeerde daar het gebruik van coca door inheemse Indianen. In 1858 publiceerde hij hierover een artikel: Sulle virtù igieniche e medicinali della coca e sugli alimenti nervosi in generale. Dit artikel inspireerde de Franse drogist Angelo Mariani tot het ontwikkelen van diens Vin Mariani. In 1869bezette Mantegazza de eerste Italiaanse leerstoel in de antropologie, aan de Universiteit van Florence. Hij richtte daar ook een antropologisch museum op en het Italiaanse genootschap voor antropologie. In 1871 publiceerde Mantegazza zijn 1200 pagina's tellende standaardwerk Quadri della natura umana. Feste ed ebbrezze.
Mantegazza overleed in 1910 te San Terenzo (Lerici).(Wikipedia)



zaterdag 12 augustus 2017

VERBA VOLENT woorden vliegen






Dit manneke werd verkozen tot president van de V.S.A. met 3.000.000 stemmen minder dan Hilary Clinton.

Er zijn nog nooit zoveel leugens vertelt door  een president
en er was nog nooit zo weinig democratie in de V.S.A.


VERBA VOLENT

In de stilte groeit het Woord
en het neemt vele vormen aan:
aarde, sterren, zon en maan
eindeloos groeit het voort.

De mens geeft het ding een naam
hij slijpt de taal tot instrument
waarmee hij dag en nacht verkent.

In de stilte groeit het Woord
en geeft stem aan vele monden
die hun waarheid luid verkonden.
Het wordt verminkt, vermoord...

Roger DeVRieNDT

Uit: "Vlaanderen", nr. 185, vierde kwartaal, 1981,  p..332

Roger (17.09.48) liet zijn eerste gedicht verschijnen in het tijdschrift Vlaanderen in 1969.
Sindsdien publiceerde hij poëzie  in verschillende tijdschriften o.a. Dietsche Warande en Belfort.
Van hem verschenen de bundels:
De zon staat in de Kreeft, 1978
Een kiemvrijtaalgehucht, 1980.
Verder verscheen poëzie in bloemlezingen:
Gedichten 73, 78, 79,
Literair Akkoord 19,
Kinderen dromen zich een wereld,
Verzenboek over de dood
Zeventig voorbij.
In 1970 werd hij laureaat van de poëzieprijs van het tijdschrift Koebel.