Rozendaalweg

Rozendaalweg
ECHELPOELHOEVE, Rozendaalweg: landelijk / mooi / historisch, foto: H. Vermeir

zondag 27 augustus 2017

* * * 12 september: over Sint-Guido / over de koster / Olen



SINT-GUIDO de patroon van de KOSTERS

 Sint-Guido, prent van de Broederschap .

  Feestdag 12 september




De functie van koster staat in nauw verband met de dingen van hierboven en krijgt daar ook afglans van.
Hij zorgt ervoor dat voor de  kerkelijke diensten de kazuifels gereedhangen, de nodige  kaarsen branden, de wierook en kwispel gereed zijn bij een pontificale mis, wijn, water en hosties voorradig zijn, ... en hij wordt betaald.

In de negende eeuw waren er reeds kosters in onze streken.
Een zekere aartsbisschop Hincmar zetelend te Reims, in de periode van Karel de Kale, vaardigde ca. 870 uit dat de pastoors zich in de uitoefening van hun ambt mochten laten bijstaan door een "clerc", een "castor" of "koster"

Deze koster kon de zakelijke aangelegenheden van het kerkgebouw en de eredienst in overleg met de pastoor tot zijn taak rekenen. De aangestelde kosters waren aanvankelijk priester , gewijd en gezalfd , maar zonder rechtstreekse parochiezorg.

De koster kreeg ook een onderwijsfunctie. Hij onderwees de jeugd over de godsdienst, leerde ze bidden,  leerde hen de gebeden afdreunen, en ook kerkzang werd onderwezen.
De inhoud van de taak leidde tot een opsplitsing van de benaming  en zo sprak men van "kerk-koster" en van "school-koster", ook al had deze laatste nog weinig te maken met de kerk.

De benaming evolueerde  in "kosterlap" of "kattekoster" doordat de schoolkoster als bijverdienste voor de uren dat hij niet onderwees op kosten van de kerkfabriek  als "kosterlap" functioneerde. Iem. die af en toe inspringt, helpt.



"Over 's kosters bezigheden en revenuen(inkomsten)"

Tijdens " Ancien Régime"(tot 1795)

Custercoren

Er waren kosterijen  die een hoog inkomen waarborgden doordat ze in bezit bleven van rijke adellijke families of dat er om het begevingsrecht  strijd werd geleverd. In het laatste geval werd het begevingsrecht toegekend aan de meest biedende, die tijdens zijn ambtsperiode dit probeerde terug teverdienen. 
In vele gevallen bleven de "revenuën" binnen de perken.
Als gebruikelijke vergoedingen:
ten eerste , het bewonen en gebruik van het kostershuis;
ten tweede, het recht op het gras en het hooi  afkomstig van het kerkhof, waar het volgende spreekwoord van overbleef: "Kosters koe mag op het kerkhof weiden";
ten derde , het recht op "custerscoren". (koren waarop de koster recht had)

Te Mol moesten boeren , die minsten één hectare bebouwden, de koster jaarlijks één ton rogge afstaan, terwijl de burgers hem een brood van acht pond moesten bezorgen.
Te Berlaar en omstreken haalde de koster persoonlijk dat koren in het begin van de winter op, een gebruik dat nog bestond in het jaar 1904 te Bazel in Oost-Vlaanderen.

Tiendenrecht

Het "custercoren" is een overblijfsel van het tiendenrecht dat tijdens het "ancien régime" door de bedienaars van de kerk mocht geheven worden.  Er is een oud gezegde dat daar naar verwijst: "Hij vertelt veel waar koster of pastoor geen "ting" (of tiende) van hebben". Het gaat over iem. die liegt.

Hierbij een oud kosterliedje waarin met het tiendenrecht de draak wordt gestoken.

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,
Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben ons een zak geld gebracht,
't geldje van klink, klank, kloria!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vet hinneken gebracht,
't hinneken van tink, tank, toria!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vetten  haan gebracht,
den haan moet den pot ingaan!

Kosterken, kosterken Weldaad, mijn getrouwe dienstknecht,

Wat hebben de boeren ons meegebracht?
De boeren hebben een vet verken gebracht,
het verken smeert de pannen van de papen en de klerken.

Er wordt in de laatste regel verwezen naar de hebzucht en schraapzucht van de papen en klerken.

hinneken: hen, vrouwelijke kip
tink: tienden (?)
papen: geestelijken
klerken: schrijvers

Andere profijten...

Te Aarshot had de koster  op Goede Vrijdag de opbrengst van de altaren en aan het heilig kruis.
Andere profijten...
Bij een doopsel had hij recht op een brood  van acht pond,
bij een sterfgeval op vier baarkeersen. De kaarsen rolde hijzelf. Men noemde de baar, het tuig waar de lijkkist op stond.

Een gezegde dat naar het bovenstaande verwijst: het gaat over een kind dat aanhoudend met een snotneus rondloopt.
"Menneken, g'hebt 's kosters wiek gestolen".



BIM, BAM, BEIEREN, de koster mag geen eieren.

"Bim, bam, beieren,
de koster mag geen eieren,
wat mag hij dan?
Spek in de pan.
De koster is ne lekkere man."

De koster had het recht om in de Paasweek de boerenhoven te bezoeken om voor de pastoor en hemzelf eieren in te zamelen. Hij moest in de plaats suikergoed aan de kinderen uitdelen. Het hele gedoe bracht hem weliswaar meer op dan het kostte. Dit recht van de koster ging het langste mede.
Het ging niet zozeer om de eieren maar wel om de opbrengst ervan.


Plichten van de koster.

Hij moest "onderdanig en eerbiedig zijn aan de pastoor",
blijk geven  van "godvruchtigheid, zedelijkheid en betamelijkheid, bekwaam om te stichten en te dienen tot exempel van de parochianen".
Hij had de zorg over de kerk, moest zorgen dat bij de diensten het altaar en sommige beelden waren versierd. Hij stond borg voor de bewaring en goede staat van alle kerkgerief: kelken, cibories, gewaden, enz... Hij moest zorgen dat de kerk netjes gekuist was.
Bij dit laatste ging wel een raar gebruik schuil
De eerste keer dat de koster na de grote kuis, de kerk betrad, moesten de kuisvrouwen hem de schoenen vegen, een eerbewijs waarvoor hij zeer gevoelig was.


De koster van Olen.

De pot van Olen en Keizer Karel dat weten we al.
Maar dan...

"Daar is een groot confuus geschied
en dit door kosters fout.
't Was winter en wie weet dat niet?
Het vriest dan en 't is koud.
't Was t' Oolen, wil mij wel verstaan,
dat eens de vroegmis aan zou gaan,
eenieder snelde naar de kerk,
't was zondag, zoo ge merkt"

De pastoor vraagt aan de koster de wijwateremmer gereed te houden voor het "Asperges me", maar ziet bevroren water.
"Sapristi" zei de pastoor, "wat gaan we nu doen?"
"Ha, ontdooien, hé , mijnheer pastoor." antwoordde de koster.
"Weet ge wat: ik zal er onmiddellijk mee naar huis lopen. Ons Marie heeft de kachel al een tijdje aangestoken en ze brandt lijk de hel. 't Zal rap gesmolten zijn."
"Goed," besliste de pastoor, "spoed u."
De koster liep naar huis en zette de wijwaterketel op het vuur. Maar de koesterende warmte verlokte hem om zijn schenen eens wat te laten roosteren. Ineens: bonk, bonk, bonk, daar luidt het. De mis moet beginnen. De koster blaast de kaars uit, neemt ijlings de pot van het vuur en loopt naar de schemerdonkere kerk, waar de pastoor hem opwachtte aan het altaar.
"Eindelijk," zei hij, "eindelijk."
De koster verontschuldigde zich niet, hij stak eenvoudig zijn emmer uit en liet de pastoor de kwispel er in onderdompelen. Deze zette zijn "Asperge me" in en stapte de kerk door, zwepend en stroelend... maar met pap in plaats van wijwater, want in zijn haast had de koster, ocharme, de verkeerde pot van de kachel genomen!

Nog spreekwoorden over de koster...


- De koster en de pastoor zijn het zelden eens.
- Als pastoor en koster kijven, dan komen de geheimen uit.
- Neemt honderd kosters en ge hebt maar negen-en-negentig gekken, want altijd moet men er rekening mee houden dat er een dubbele gek bij is.  Dat is nu niet meer.
- Wat nu gezongen zei de koster en de kerk stond in brand.
- Kosters koe mag op het kerkhof weiden.
- 's Kosters wiek stelen.
- Hij vertelt veel waar koster of pastoor geen "ting" (of tiende) van hebben

BRON:

Pol HEYNS, "Antieke Kalenderprenten", Davidsfonds, Leuven, s.d., p.93 e.v.

donderdag 17 augustus 2017

PLATONISCHE LIEFDE e.a./ merkwaardige gravures

MAN en VROUW 16de eeuw

prenten die tot de verbeelding spraken




Cornelis TEUNISSEN,  Armoede en Weelde, in:  "Verlokking en Begeerte", Hilversum, s.d.,  dl.2 p.24.

We zien vijf personen die zich naar rechts bewegen. Een vrouw "Aermoede" met metalen tang voor de haard, de twee figuren in het midden "Sorgeloos" en "Bouer" en "Weelde" en "Gemack". Twee vrouwen en drie mannen. Op de grond ligt links een "driestael"  een stoeltje met drie poten. Armoede jaagt de twee figuren in het midden op, twee figuren  waarop werd neergekeken in de late middeleeuwen. De gewapende man en de weelderige vrouw maken zicht uit de voeten. Aan de gebouwen zien we dat de Renaissance tot ontwikkeling is gekomen.

bouer: boef, schelm of boer 


PLATONISCHE LIEFDES

zij is een valse vlag, die een verdachte lading dekt;
zij is een valse sleutel om te komen waar men niet mag zijn;
zij is de honderdste variant op de fabel van de vos, die de druiven waar hij niet bij kon, te zuur vond!
zij is het eerste stadium van een grote liefde of het laatste van een kleine liefde, maar nooit de liefde zelf;
zij is de vinger, die de gelegenheid biedt het hele land te nemen;
zij is een bisdom in partibus infidelium, als men geen parochie te vergeven heeft;

Boutades van MANTEGAZZA





Albrecht DÜRER(1471-1528),Levenslustige oude man doet een voorstel, in:  "Verlokking en Begeerte", Hilversum, s.d.,  dl.2 p.64.


Een oude man grijpt in zijn beurs om aan de opzichtige dame te betalen voor de diensten die ze zal leveren. Het paard staat er wellustig bij en de vrouw heeft een wapperend kledingstuk. De oude bok lust nog wel een groen blaadje.Rechts van de man ligt een eerder rare hoed die een verwijzing naar wellust kan zijn.Hij heeft 'tootschoenen' aan. Links in de achtergrond zien we een soort vesting die te veroveren is. De bomen hebben eerder kale takken wat kan verwijzen naar het zondige.


%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%%

Cornelis Teunissen
________________________________________________________________


Cornelis Anthonisz (Amsterdam ca. 1505 - 1553), ook Anthonissen of Teunissen genoemd, was een Nederlands prentkunstenaar, cartograaf en kunstschilder.Hij is vooral bekend om zijn houtsneden. Zijn bekendste houtsnede is de "Vogelvluchtkaart" van Amsterdam uit 1544, die gedrukt is met 12 blokken. Deze houtsnede was zeer populair en is nog tot ver in de zeventiende eeuw herdrukt, waardoor er verschillende versies van bestaan, zoals een versie met rechtsboven een gotisch initiaal  D, één met Latijns initiaal D versierd met plantenmotieven  en één met Latijns initiaal D met een voorstelling van koning David . (Wikipedia)


Paolo Mantegazza



Paolo Mantegazza
Paolo Mantegazza (Monza, 31 oktober 1831 – San Terenzo, 28 augustus 1910) was een Italiaans medisch antropoloog die het cocagebruik bij Indianen in Peru bestudeerde.
Mantegazza werd geboren te Monza. Hij reisde naar Peru en bestudeerde daar het gebruik van coca door inheemse Indianen. In 1858 publiceerde hij hierover een artikel: Sulle virtù igieniche e medicinali della coca e sugli alimenti nervosi in generale. Dit artikel inspireerde de Franse drogist Angelo Mariani tot het ontwikkelen van diens Vin Mariani. In 1869bezette Mantegazza de eerste Italiaanse leerstoel in de antropologie, aan de Universiteit van Florence. Hij richtte daar ook een antropologisch museum op en het Italiaanse genootschap voor antropologie. In 1871 publiceerde Mantegazza zijn 1200 pagina's tellende standaardwerk Quadri della natura umana. Feste ed ebbrezze.
Mantegazza overleed in 1910 te San Terenzo (Lerici).(Wikipedia)



zaterdag 12 augustus 2017

VERBA VOLENT woorden vliegen


in opbouw



Dit manneke werd verkozen tot president van de V.S.A. met 3.000.000 stemmen minder dan Hilary Clinton.

Er zijn nog nooit zoveel leugens vertelt door  een president
en er was nog nooit zo weinig democratie in de V.S.A.


VERBA VOLENT

In de stilte groeit het Woord
en het neemt vele vormen aan:
aarde, sterren, zon en maan
eindeloos groeit het voort.

De mens geeft het ding een naam
hij slijpt de taal tot instrument
waarmee hij dag en nacht verkent.

In de stilte groeit het Woord
en geeft stem aan vele monden
die hun waarheid luid verkonden.
Het wordt verminkt, vermoord...

Roger DeVRieNDT

Uit: "Vlaanderen", nr. 185, vierde kwartaal, 1981,  p..332

Roger (17.09.48) liet zijn eerste gedicht verschijnen in het tijdschrift Vlaanderen in 1969.
Sindsdien publiceerde hij poëzie  in verschillende tijdschriften o.a. Dietsche Warande en Belfort.
Van hem verschenen de bundels:
De zon staat in de Kreeft, 1978
Een kiemvrijtaalgehucht, 1980.
Verder verscheen poëzie in bloemlezingen:
Gedichten 73, 78, 79,
Literair Akkoord 19,
Kinderen dromen zich een wereld,
Verzenboek over de dood
Zeventig voorbij.
In 1970 werd hij laureaat van de poëzieprijs van het tijdschrift Koebel.