Rozendaalweg

Rozendaalweg
ECHELPOELHOEVE, Rozendaalweg: landelijk / mooi / historisch, foto: H. Vermeir

vrijdag 26 september 2014

Een gedicht / een lied per maand: Jan Luykens gedicht ... muziek in de oren!


IN OPBOUW



" 't Zedig aangezicht" van Jan Luyken (Nederland) , 2de dr. van 's Menschen Begin, Midden en Eynde,  1719.(1)


La Duchesse Rojaa

In 't rijzen van de koelen dach,
Als yder nog te slapen lach,
Zat Appelonia, die ik sach
('t Zijn my geen dromen)
In de schaauw der bomen,
 En streelde een Luyd,
Terwijl sy uyt
Een heldere boesem song.
Stil hield de tong
Die 't geveert
Van het hele Woud braveert;
Het singen,
't Springen,
't Fluyten,
't Tuyten
En 't Swieren,
Gieren,
Dat
In de 
Linde
Leefde,
Sweefde,
Was nu stil, en sat
Te luysteren;
't Fluyst'ren
Van de blaan ging sacht,
O Goon, 
Zo schoon
Een Zang
Haar dwang
Heeft my verkracht.


Uit: Duitse Lier, T'Amsterdam, 1671, 8-ste verdeling.(2)

Jan Luyken, 1649-1712.
Dichter en etser.
Zijn eerste bundel is een verzameling minneliederen, vol arcadische natuurlyriek, luchtig en lieflijk, zinnelijk en werelds.
Dat was de Duytse Lier (1671). 
Nadat hij o.i.v. de mystieke Jakob Böhme was gekomen, kreeg hij spijt van zijn wuftheid en kocht hij zoveel mogelijk exemplaren van zijn boekje weer op.
Zijn ommekeer weerspiegelt zich in de rest van zijn poëzie: stichtelijke verzen met didactische inslag. Bij deze verzen, op de wijze der dichters van de emblemata, graveerde hij zelf zijn prenten. Daardoor is zijn werk zo fraai: het is in alle opzichten een eenheid.
Met hem eindigt voor lange tijd een eeuwenlange reeks dichters van godvruchtige poëzie.
Hij schreef o.a. Jesus en de Siel (1678), Het Menschelijk Bedrijf (1648),  De Bijkorf des Gemoeds (1711) en vele andere bundels.(3)



Uit: Voncken der Liefde Jesu, 1687. Na Luyken is het met de populaire emblemata-literatuur gedaan.(4)



Verwijzingen

(1) F. Bauer, Jacques Den Haan,J. Hulsker, Ger Schmook en Garmt Stuiveling, De Nederlandse Letterkunde in honderd schrijvers, De Sikkel, Antwerpen, 1953, 2-de dr., p.61.
(2) M.C.A. Van der Heijden, De ziel van den poëet vertoonst zich in zijn dichten, Lyriek van vier Amsterdamse dichter uit de 17de eeuw, Het Spectrum, Antwerpen-Utrecht, 1967, p.296.
(3) F. Bauer, o.c., p.61.
(4) Ibidem.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen