Rozendaalweg

Rozendaalweg
ECHELPOELHOEVE, Rozendaalweg: landelijk / mooi / historisch, foto: H. Vermeir

donderdag 23 juni 2016

VERLANGEN ... een rivier Edward Douwes Dekker *


in opbouw

" Verlangen is als een rivier die steeds dezelfde naam behoudt,
   maar waarin het water voortdurend verandert."

Edward Douwes Dekker                  Multattuli (ik heb veel geleden)


Foto uit 1875

Edward Douwes Dekker [ MULTATULL, 1820 - 1887]
Als zoon van een zeekapitein, volgde hij de Latijnse school, met de bedoeling prediker te worden.
Toen hij 18 jaar oud was werd hij samen met zijn broer Jan, door zijn vader meegenomen naar Java om daar fortuin te maken.
Hij verloofde zich met de Caroline Versteegh.
In 1842 werd hij controleur in het oproerige Natal op Sumatra. Daar aakt hij verwikkeld in een intrige van inlandse hoofden. Hij werd door het Nederlands bestuur valselijk beschuldigd van een kastekort en de laan uitgestuurd. Het ging hier over een jongen van 22 jaar, de wreedheid van de bestuurders tegenover hem en de inlanders zou hij in zijn boek Max Havelaar aanklagen.
Geniaal, hartstochtelijk en pathetisch, geestig en spotlustig,
sociaal voelend  en hekelaar van van de machtigen als onderdrukkers  van armen en gewone mensen.
Eén van de grootste prozeschrijvers uit het Nederlands taalgebied, wiens invloed verder ging dan zijn eigen taalgebied.
Zijn voornaamste werken: De Max Havelaar (1860), Minnebrieven (1861), en zeven bundels Ideeën (1862-1877), waarin Vorstenschool en Woutertje Pieterse.

Tweede druk , bij Ad. Donker, Rotterdam, s.d.
 "In 1860 verscheen de Max  Havelaar. Het boek is bedoeld als een aanklacht tegen wantoestanden in het toenmalige Nederlands Oost- Indië, en het was tevens een rechtvaardiging van zijn belevenissen in het koloniaal gebied waarbij hij als ambtenaar betrokken was. De Max Havelaar deed een rilling door het land gaan. De beschrijving van de wedervarens van Saïdjah en Adinda, een verzonnen verhaal dat de context van het gebeuren in die kolonie beschrijft.


" Ik weet niet waar ik sterven zal.
  Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust,
  toen ik daar was met mijn vader om zout te maken.

  Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam

  in het diepe water, zullen er haaien komen,
  ze zullen rondzwemmen om mijn lijk,
  en vragen: 'wie van ons zal het lichaam verslinden
  dat daar daalt in 't water?'

  Ik zal het niet horen.


  Ik weet niet waar ik sterven zal.

  Ik heb het huis zien branden van Pa-ansoe,
  dat hijzelf had aangestoken omdat hij mata-glap(1) was.
  Als ik sterf in een brandend huis,
  zullen er gloeiende stukken hout neervallen op mijn lijk.
  en buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen
  die water werpen om het vuur te doden.

  Ik zal het niet horen.


  Ik weet niet waar ik sterven zal.

  Ik heb den kleinen Si-oenah zien vallen uit de klappaboom,
  toen hij een klappa plukte voor zijn moeder.
  Als ik val uit een klappaboom, zal ik dood neerliggen
  aan de voet, in de struiken, als Si-oenah.
  Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood.
  Maar anderen zullen roepen: 'zie, daar ligt Saïdjah!',
  met harde stem.

  Ik zal het niet horen.


 Ik weet niet waar ik sterven zal.

 Ik heb het lijk gezien van Pa-lisoe,
 die gestorven was van hoge ouderdom,
 want zijn haren waren wit.
 Als ik sterf van hoge ouderdom,
 met witte haren zulle de klaagvrouwen om mijn lijk staan,
 En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-lisoes lijk, en ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

 Ik zal het niet horen.



 Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren.
Man kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessah,
oostwaarts tegen de heuvel, waar het gras hoog is,
Dan zal Adinda daar voorbijgaan,
En de rand van haar sarong 
zal zachtkens voortschuiven langs het gras...

Ik zal het niet horen. "

Gepubliceerd i bovenstaand boek blz. 226.

 Verwijzing:

F. BAUER, J. DEN HAAN, e.a. , "De Nederlandse Letterkunde in honderd schrijvers", de Sikkel, Antwepen, tweede druk,s.d.,  p.103.
C. VAN GENECHTEN, A. DE MUYNCK, "Nederlandsche Letteren", bloemlezing, Brussel, 1943,  p.350.


1. mata-glap:waanzinnig.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen